- Home
- Actueel
- Geo-standaarden
- Dossiers
- Diensten
- Geonovum
Home /
Veelgestelde vragen
Hieronder vindt u verschillende categorieën met veelgestelde vragen. Staat uw vraag er niet tussen, maak dan gebruik van het contactformulier en we zullen u zo snel mogelijk proberen te helpen.
Ja. De gebruiksvoorwaarden zijn ook van toepassing als datasets op andere dragers worden uitgewisseld.
Nee. In het GI-beraad is afgesproken dat iedere overheidsorganisatie die geo-informatie heeft, gebruik maakt van de Publieke Domein Mark of de Creative Commons Zero verklaring of de Geo Gedeeld voorwaarden. Andere voorwaarden mogen niet meer worden gehanteerd.
De Nederlandse auteurswet en databankenwet stelt dat als de overheid niet expliciet rechten heeft voorbehouden op bepaalde gegevens, deze zondermeer openbaar gemaakt kunnen worden. Dit betekent dat wanneer u als overheidsorganisatie geen auteursrecht en/ of databankenrecht heeft voorbehouden, u gebruik kunt maken van de Publiek Domein Mark. Heeft uw overheidsorganisatie wel auteursrecht en/of databankenrecht voorbehouden dan kunt u afstand doen van deze rechten door gebruik maken van de CC0 verklaring van Creative Commons. In beide gevallen kunnen de werken door iedereen voor alle doeleinden gebruikt worden. Ook naamsvermelding kan daarbij niet worden geëist.
INSPIRE
Hieronder vindt u verschillende categorieën met veelgestelde vragen. Staat uw vraag er niet tussen, maak dan gebruik van het contactformulier en we zullen u zo snel mogelijk proberen te helpen.
INSPIRE geeft een impuls aan de toegankelijkheid van geografische informatie. De informatie die wordt ontsloten is veelal de meest betrouwbare informatie die over dat onderwerp beschikbaar is. Hiermee biedt INSPIRE de mogelijkheid om bestaande processen te verbeteren (efficiëntie) en nieuwe processen op te starten (innovatie). INSPIRE heeft de potentie te zorgen voor:
- betere uitwisselbaarheid van geo-informatie van de Europese lidstaten;
- verbetering van de kwaliteit van geo-informatie;
- efficiëntiewinst bij het inwinnen en beheren van geo-informatie en
- uitbreiding van bestaande dienstverlening (door de inzet van geo-informatie).
INSPIRE is daarmee niet alleen van belang voor geo-specialisten maar ook voor het maken van beleid, het verrijken van informatie en het ondersteunen van besluitvormingsprocessen.
Om te weten of u verplicht bent onder INSPIRE stappen te ondernemen zie: Valt mijn organisatie onder INSPIRE? onder “organisatie en proces”.
Bij de invoering van INSPIRE moeten drie soorten kosten worden onderscheiden:
- De kosten voor het nationale INSPIRE portaal: deze worden gedragen door het ministerie van Infrastructuur en Milieu;
- De kosten voor het beschikbaar maken van geo-informatie conform de INSPIRE eisen: deze kosten worden gedragen door de respectievelijke data provider (bronhouder).
- De kosten voor het INSPIRE programma dat de invoering van INSPIRE ondersteunt en wordt uitgevoerd door Geonovum: deze kosten worden gedragen door het ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Nederland streeft naar een pragmatische invoering van INSPIRE. Uitgangspunt is dat alleen de meest geëigende datasets worden aangemerkt als INSPIRE gegevens, in plaats van alle beschikbare datasets binnen een thema. In Nederland wordt in samenspraak met organisaties die gegevens beheren, bekeken wie voor welk feature type of thema aan INSPIRE moet voldoen. Moet een organisatie aan INSPIRE voldoen, dan is het een ‘INSPIRE dataprovider’. De INSPIRE dataprovider moet ervoor zorgen dat de gegevens van de juiste beschrijvingen zijn voorzien (metadata), dat ze geharmoniseerd beschikbaar zijn en dat ze als webservice worden ontsloten. Een overzicht van INSPIRE dataproviders vindt u in het dossier INSPIRE | Implementatie | Dataproviders
De Nederlandse INSPIRE dataproviders kunnen hun gegevens en webservices opvoeren bij het Nationaal georegister. Het Nationaal georegister verzorgt de ontsluiting van de Nederlandse INSPIRE gegevens naar het Europese geoportaal. Het is dan dus niet nodig een extra knooppunt te maken richting het Europese geoportaal.
De Inspire-richtlijn beoogt dat geo-informatie van goede kwaliteit beschikbaar en vindbaar is en dat de inhoud ervan, ook over de landsgrenzen heen, op elkaar is afgestemd. Deze geo-informatie moet publiek toegankelijk zijn via internet. Hiervoor wordt een netwerk ingericht dat bestaat uit een Europees en nationale internetportalen. Via deze portalen krijgen niet alleen overheden, maar ook burgers en bedrijven toegang tot de geo-informatie.
De doelstellingen van Inspire voor de informatievoorziening zijn:
- toegang tot geo-informatie binnen EU verbeteren (Europese geo-informatievoorziening)
- harmoniseren (afstemmen) van geo-informatie (gebruik standaarden)
- verbeteren van de interoperabiliteit (uitwisselbaarheid) tussen verschillende gebruikers en toepassingen
Inspire leidt tot een EU-brede geo-informatievoorziening waarop informatiebronnen en informatiegebruikers worden aangesloten. Vanwege de brede scope dient de richtlijn daarmee niet alleen doelen binnen het milieudomein, maar ook doelen op het gebied van ruimtelijke ordening, openbare orde en veiligheid en bijvoorbeeld volksgezondheid.
De Europese richtlijn INSPIRE (Infrastructure for Spatial Information in Europe) helpt om de beschikbaarheid, kwaliteit, toegang tot en uitwisseling van plaatsgebonden gegevens over het milieu in Europa te verbeteren. Denk aan gegevens als de locatie van administratieve grenzen, watersystemen, landbouw, industrie en vervoersnetwerken en de spreiding van de bevolking, van plant- en diersoorten en de gezondheid op een locatie. Deze informatie is nodig voor de geïntegreerde aanpak van Europese beleidsvorming op het gebied van milieu maar zeker ook toepasbaar in andere beleidsgebieden.
De INSPIRE richtlijn is erop gericht om gegevens zo laagdrempelig mogelijk beschikbaar te stellen voor Europese overheidsorganisaties, burgers, bedrijven en instellingen. Lidstaten moeten ervoor zorgen dat gebruikers de INSPIRE-gegevens gratis kunnen zoeken en op een beeldscherm kunnen raadplegen. Om aan deze voorwaarden te voldoen, kunnen Nederlandse dataproviders gebruik maken van het Nationaal georegister.
De Nederlandse overheid streeft ernaar om overheidsinformatie gratis en zonder gebruiksvoorwaarden beschikbaar te stellen. Dat geldt ook voor geo-informatie. Er mag desondanks wel een vergoeding in rekening worden gebracht voor de download-, verwerkings-, en aanroepdiensten. Voor raadpleegdiensten mag dit alleen indien de vergoeding nodig is om te waarborgen dat de desbetreffende verzamelingen ruimtelijke gegevens en diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens in stand worden gehouden.
Als een (overheids)instelling verstrekkingskosten in rekening brengt, moet deze er wel voor zorgen dat de gebruiker de betaling via internet kan voldoen. Vanaf oktober 2011 moet een organisatie die kosten in rekening brengt de berekeningswijze van de vergoedingen en de daarvoor in aanmerking genomen factoren kunnen specificeren.
De Nederlandse INSPIRE gegevens zijn vindbaar en opvraagbaar via het nationaal georegister. De INSPIRE gegevens van alle Europese lidstaten zijn te vinden via het Europese geoportaal. Het nationaal georegister staat in verbinding met het Europese geoportaal, zodat de Nederlandse gegevens ook vindbaar, opvraagbaar en downloadbaar zijn via het Europese geoportaal.
INSPIRE site van de Europese Commissie: http://inspire.jrc.ec.europa.eu
INSPIRE Geoportal: www.inspire-geoportal.eu
Nederlandse INSPIRE implementatiewet: www.wetten.overheid.nl
Om de belangen van Nederland in Europees verband te behartigen, coördineert het programmabureau (Geonovum) de actieve inbreng vanuit Nederland in Europese expertgroepen, drafting teams en task forces. De specificaties waaraan gegevens moeten voldoen en de invoeringsregels zijn deels nog in ontwikkeling. Door hier actief over mee te denken en mee te schrijven, kunnen we de wensen en belangen van Nederland in Europees verband inbrengen.
Om de implementatie van INSPIRE in Nederland te begeleiden, is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu bij Geonovum een programmabureau voor INSPIRE ingericht. Geonovum is een stichting die tot doel heeft plaatsgebonden gegevens van de overheid beter toegankelijk te maken en de standaarden te ontwikkelen en beheren die daarvoor nodig zijn.
Het programmabureau zorgt in samenspraak met beheerders van gegevens dat duidelijk is wie in Nederland INSPIRE dataprovider is en wat de eisen zijn waaraan hun gegevens moeten voldoen. Dit gebeurt door verschillende werksessies te beleggen en door de betrokkenen via mail en nieuwsbrief op de hoogte te houden van de laatste ontwikkelingen. Het programmabureau staat ook aan de lat voor de realisatie van de gemeenschappelijke voorzieningen, waaronder:
- een operationeel nationaal INSPIRE netwerk met een portaal en bijbehorende beheerorganisatie en de aansluiting van dit netwerk op het Europese portaal;
- algemene voorwaarden voor het gebruik van de INSPIRE gegevens en het INSPIRE netwerk;
- basis dienstverleningsovereenkomst (SLA) tussen dataproviders en de beheerder van het INSPIRE netwerk en de gebruikers.
Verschillende organisaties beheren gegevens die onder een van de 34 thema’s van INSPIRE vallen. In Nederland wordt in samenspraak met deze organisaties bekeken wie voor welk gegeven of thema aan INSPIRE moet voldoen. Als een organisatie aan INSPIRE moet voldoen, dan is het een ‘INSPIRE dataprovider’. De organisatie moet er dan voor zorgen dat:
- de gegevens van de juiste omschrijvingen zijn voorzien (metadata),
- dat ze geharmoniseerd beschikbaar zijn,
- en dat ze als webservice worden ontsloten.
Nederland streeft naar een pragmatische invoering van Inspire. Uitgangspunt is dat alleen de meest geëigende datasets worden aangemerkt als Inspire-data, in plaats van alle beschikbare datasets binnen een thema. Samen met de data-providers heeft Geonovum in 2009 bijvoorbeeld onderzocht welke Nederlandse dataset het best past bij de Inspire-dataspecificaties van Annex I. Per Inspire feature type of attribuut is telkens één data-provider aangemerkt. Deze provider zal de gegevens ontsluiten voor Inspire.
Een overzicht van INSPIRE dataproviders is te vinden in het dossier INSPIRE | Implementatie | dataproviders
INSPIRE heeft alleen betrekking op bestaande geo-informatie. Lidstaten zijn dus niet verplicht om ontbrekende geo-informatie in te winnen en via INSPIRE te ontsluiten. Daarentegen kunnen organisaties en of lidstaten er ook voor kiezen om de werking van INSPIRE uit te breiden tot meer thema’s dan in INSPIRE worden gedefinieerd. Dit kan vanuit het oogpunt van eenvoud, transparantie en dienstverlening aan de afnemers van geo-informatie een belangrijk argument zijn.
De Nederlandse overheid streeft ernaar om overheidsinformatie gratis en zonder gebruiksvoorwaarden beschikbaar te stellen. Dat geldt ook voor geo-informatie. Er mag desondanks wel een vergoeding in rekening worden gebracht voor de download-, verwerkings-, en aanroepdiensten. Voor raadpleegdiensten mag dit alleen indien de vergoeding nodig is om te waarborgen dat de desbetreffende verzamelingen ruimtelijke gegevens en diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens in stand worden gehouden.
Als een (overheids)instelling verstrekkingskosten in rekening brengt, moet deze er wel voor zorgen dat de gebruiker de betaling via internet kan voldoen. Vanaf oktober 2011 moet een organisatie die kosten in rekening brengt de berekeningswijze van de vergoedingen en de daarvoor in aanmerking genomen factoren kunnen specificeren.
In het artikel op www.geonovum.nl/dossiers/inspire/eisen-viewservices vindt u een samenvatting van de eisen waaraan INSPIRE dataproviders moeten voldoen in 2011.
De technische richtlijnen voor download services (zie Technical Guidance v2.0) zijn onlangs aangeboden aan de INSPIRE IOC Taskforce (zie http://inspire.jrc.ec.europa.eu/index.cfm/pageid/5/list/0). De verwachting is dat de IOC TF de technische richtlijnen voor download services gaat upgraden naar v3.0, die daarna geïmplementeerd kunnen worden.
De dataproviders zullen dit zelf moeten monitoren. In het Nationaal georegister (het nationale INSPIRE portaal) wordt op dit moment wel de beschikbaarheid voor WMS-services gemonitord.
Om te voldoen aan de INSPIRE richtlijn moeten de volgende stappen worden doorlopen:
Beschrijven
Eerst zorgt INSPIRE ervoor dat duidelijk is welke plaatsgebonden gegevens beschikbaar zijn. Dit gebeurt door beschrijvingen van de gegevens, de metadata, te publiceren in een Europees internetportaal. Hierdoor ontstaat er een online doorzoekbare, Europese bibliotheekcatalogus van plaatsgebonden gegevens. In 2010 moeten de lidstaten de metadata van de thema’s onder Annex I en II in het Europees portaal beschikbaar stellen. In 2013 volgen de metadata van de thema’s onder Annex III.
Harmoniseren
De volgende stap is de harmonisatie van de gegevens. Harmonisatie van gegevens betekent dat de gegevens van de verschillende lidstaten naadloos op elkaar moeten aansluiten. De mate waarin gegevens geharmoniseerd moeten worden, varieert per Annex. INSPIRE schrijft voor dat de thema’s in Annex I en II sterk geharmoniseerd worden en Annex III beperkt. Beperkte harmonisatie houdt in dat de informatie in het Europese coördinatenstelsel beschikbaar is en dat objecten zijn voorzien van een classificatie en definitie. Denk bijvoorbeeld aan een legenda op de kaart. Voor Annex I en II gelden daarnaast ook eisen voor de positie (goede aansluiting van bijvoorbeeld wegen op de grenzen van lidstaten), unieke identificatie, relaties, attributen, domeinwaardelijsten en regels voor versiebeheer. Deze sterke harmonisatie is vergelijkbaar met de mate van harmonisatie in Nederlandse informatiemodellen onder het Basismodel Geo-informatie (NEN3610), zoals IMRO, IMWA en TOP10NL. De gegevens onder de thema’s van Annex I moeten in 2012 geharmoniseerd beschikbaar zijn. Vanaf 2015 geldt dit ook voor de gegevens onder de thema’s van Annex II en III.
Beschikbaar stellen
Zodra de INSPIRE gegevens geharmoniseerd zijn, moeten de gegevens ook rechtstreeks vanaf het Europese internetportaal te raadplegen, te downloaden en te verwerken zijn. Dit gaat met behulp van netwerkdiensten. Achterliggende gedachte is dat het eigenlijk niet uitmaakt waar de geo-informatie is opgeslagen, via de netwerkdiensten worden deze voor organisaties toegankelijk en bruikbaar. In de praktijk van alledag gebruiken en beheren organisaties meestal hun eigen databases en toepassingen: gegevens van anderen worden binnengehaald en in databases opgeslagen. Het concept van netwerkdiensten vergt dus een andere benadering van het ICT-beleid: van een gesloten informatiearchitectuur naar een open informatiearchitectuur. De gegevens onder Annex I zijn na 2012 direct te downloaden. De gegevens onder Annex II en III na 2014.
In Nederland is het Nationaal georegister aangewezen als INSPIRE portaal. Het Nationaal georegister is te bezoeken op http://www.nationaalgeoregister.nl.
Het Nationaal Georegister is het best te beschrijven als een 'gouden gids' voor het zoeken, vinden en ontsluiten van online geo-informatie in Nederland. Het geo-register bestaat uit:
- een geografische zoekmachine
- web mapping viewer
- publicatietools voor providers
- uitgebreide achtergrondinformatie
INSPIRE heeft betrekking op geo-informatie in 34 thema’s. In verschillende fasen zal deze geo-informatie van metadata moeten worden voorzien en aangepast moeten worden aan de definities van INSPIRE (harmonisatie) en beschikbaar moeten worden gesteld. INSPIRE stelt hiervoor specifieke invoeringsregels op. Het gaat om regels voor:
- Metadata;
- Dataspecificaties per thema;
- Netwerkdiensten;
- Delen van data en diensten (gegevensuitwisseling);
- Monitoring en rapportage van de implementatie en het gebruik van INSPIRE.
Onder verantwoordelijkheid van de Europese Commissie komen de invoeringsregels en dataspecificaties tot stand. Geonovum speelt hierbij voor Nederland een centrale rol. Zij coördineert de Nederlandse inbreng bij dit proces.
Nee. Dat wil zeggen: als er een update komt moet deze passen binnen INSPIRE maar INSPIRE schrijft niet het inwinnen van nieuwe (lees ook updaten) informatie voor.
Ja, dat mag. Voorwaarde is wel dat de dataset wordt geleverd conform de ‘encoding’ of uitwisselingsformaat van de INSPIRE data specificaties. De vereiste ‘encoding’ van te downloaden INSPIRE datasets is vastgelegd in een specifiek richtlijnendocument. De richtlijnen voor INSPIRE dataset uitwisseling zijn te vinden in de Guidelines for the Encoding of Spatial Data (D.2.7, Version 3.2). In het richtlijnendocument staat het volgende: “To support network services that are implemented as web services, spatial objects are expected to be primarily encoded in GML and metadata according to ISO/TS 19139. Coverage data is expected to use existing encodings for the range part, e.g. for the pixels of an orthophoto.”
Dit betekent, dat het uitwisselingsformaat voor vectordata in ieder geval GML 3.2.1 is. Daarnaast onderscheidt INSPIRE ook datasets die via zgn. file-based download, m.n. coverage of rasterdatasets, uitgewisseld kunnen worden. Voor deze raster datasets kunnen meerdere uitwisselingsformaten gebruikt worden, zoals NetCDF, GEOTIFF, JPEG2000 Embedded in GML, GeoTIFF, BIFF.
Een INSPIRE conforme raadpleegdienst moet worden aangeboden via één (of meer) van de onderstaande interface standaarden:
- OGC Web Mapping Service (WMS) v1.1.1 (met INSPIRE extensies; het INSPIRE profiel)
- OGC Web Mapping Service (WMS) v1.3.0 (conform ISO 19128 met INSPIRE extensies; het INSPIRE profiel)
- OGC Web Mapping Tiling Service (WMTS) v1.0.0 (met INSPIRE extensies; het INSPIRE profiel)
Volgens INSPIRE zijn de data providers vrij om te kiezen welke interface standaard wordt geïmplementeerd. De OGC Web Mapping Service v1.3.0 is echter opgenomen op de “pas toe of leg uit” lijst van standaarden van de Nederlandse overheid. Daarom moeten Nederlandse dataproviders ofwel het INSPIRE profiel van de OGC Web Mapping Service v1.3.0 implementeren ofwel het INSPIRE profiel van de OGC Web Mapping Tiling Service v1.0.0. De OGC Web Mapping Tiling Service is opgenomen in het raamwerk van geo-standaarden dat is goedgekeurd door het GI-beraad.
‘As is’ betekent dat “MS must have services for which metadata has been created. This is the only condition which defines whether or not a service should be available”. Dat betekent, dat de dataset in een view service conform de gepubliceerde metadata aangeboden moet worden. De dataset hoeft dus niet te voldoen aan de data specificaties.
De eisen gelden voor toegankelijkheid van INSPIRE datasets en een eventuele toegangslaag, zijn vastgelegd in een aparte notitie. U vindt deze op: http://www.geonovum.nl/sites/default/files/inspire_toegangbeperkingen_v5.pdf
De invoeringstermijn voor INSPIRE loopt van 2009 – 2015. In deze periode worden een aantal trajecten doorlopen, ieder met hun eigen tijdpad en deadlines. De gedetailleerde weergave van de INSPIRE roadmap in Nederland vindt u op http://www.geonovum.nl/dossiers/inspire/roadmap
Publieke Dienstverlening op de Kaart
Hieronder vindt u een gerubriceerd overzicht van veel voorkomende vragen en antwoorden over Publieke Dienstverlening op de Kaart. Heeft u een andere vraag over het programma, maak dan gebruik van het contactformulier.
Nee, iedereen heeft vrij toegang tot de open services. Op dit moment is de toegang tot de gesloten services van PDOK nog geregeld door middel van het IP-adres. Daardoor zijn er nu geen accounts met gebruikersnamen en wachtwoorden nodig.
Elke gebruiker kan terecht op het PDOK gebruikersplatform: pdok.pleio.nl. Op deze plek vindt u aanvullende informatie over het gebruik van PDOK zoals handleidingen, u kunt vragen stellen en kennis uitwisselen met andere gebruikers. Om toegang te krijgen tot dit platform maakt u een account aan bij Pleio.nl.
Voor PDOK Basis geldt extra ondersteuning in de vorm van een helpdesk.
Ja, iedereen heeft toegang tot het PDOK gebruikersplatform: pdok.pleio.nl. Op deze plek vindt u aanvullende informatie over het gebruik van PDOK, contactgegevens van het klantcontactcentrum en kunt u kennis uitwisselen met andere gebruikers. Om toegang te krijgen tot dit platform heeft u een account nodig bij Pleio.nl.
PDOK biedt op dit moment geen databestanden aan, maar webservices. De bijbehorende open data bestanden worden voorlopig nog via de partners geleverd (zie de metadata in het Nationaal Georegister voor meer informatie).
Om de PDOK webservices te kunnen gebruiken heb je een gis-pakket of een gis-viewer nodig. Het gebruiken van de service is verder een kwestie van het kopiëren en plakken van een URL (webadres). Als de betreffende software de open standaarden ondersteunt die PDOK toepast, wordt vervolgens de betreffende kaartlaag getoond.
De URL's zijn te vinden in het Nationaal Georegister en via de URL-tabel in de PDOK-community. Op http://www.nieuwsinkaart.nl/pdok/ staat =een viewer waarin alle vrij beschikbare PDOK-services worden getoond.
Hoewel de services vrij en open zijn, vereist het toepassen dus wel een zekere kennis van geo-tools. Overigens zijn dergelijke tools als open source software beschikbaar en kan iedereen er dus eenvoudig mee gaan experimenteren.
Als overheidsorganisatie, kunt u zich aanmelden als gebruiker van PDOK Basis via het aanmeldformulier. Aanmelden is heel eenvoudig en duurt slechts enkele minuten. Zorg er wel voor dat u over een IP-adres van uw organisatie beschikt en dat u weet wie namens uw organisatie als contactpersoon richting PDOK gaat optreden. Deze persoon moet namelijk de aanvraag indienen.
Bij de aanvraag voor toegang tot PDOK Basis vragen wij u om een contactpersoon en een vervanger. De contactpersoon is voor de PDOK-organisatie spil in de communicatie met onze gebruikers. Wij verwachten dat u uw eigen organisatie over het dienstenniveau en de gedragsregels informeert en u kunt als enige verzoeken, problemen of klachten bij het Klant Contact Centrum laten registreren. De contactpersoon wordt ook altijd als eerste benaderd als er vragen of klachten over het naleven van de PDOK-gedragsregels zijn en wij gaan er van uit dat u er vervolgens er voor zorg dat dit in uw organisatie wordt opgepakt. U bent tevens het aanspreekpunt als er vragen of klachten zijn over het gedrag van bedrijven die op uw verzoek toegang tot de PDOK diensten hebben gekregen.
Overheden maken na registratie gebruik van het PDOK Basis pakket. De diensten die beschikbaar zijn en het kwaliteitsniveau daarvan (het service level) zijn vastgelegd in de PDOK producten- en diensten catalogus. Het Kadaster is als beheerder van de PDOK diensten er voor verantwoordelijk dat deze conform de beschrijving worden geleverd. Storingen of klachten kunnen door de bij PDOK bekende contactpersoon van uw organisatie worden gemeld bij de het Kadaster Klant Contact Centrum. Mocht u structureel ontevreden zijn over de PDOK dienstverlening dan kunt u, bij voorkeur via een koepelorganisatie als het IPO of het Waterschapshuis, bestuurlijk escaleren naar de eigenaar van PDOK, het hoofd beleid geo-informatie van het ministerie van IenM.
Het aanmeldformulier voor PDOK vindt u hier.
Vraag uw systeembeheerder om het IP-adres of bezoek vanaf uw werkplek de website whatismyipaddress.com.
Na ontvangst van uw aanmeldformulier krijgt u binnen 10 werkdagen per e-mail bericht dat uw organisatie is geregistreerd voor de dienst PDOK Basis. Zie ook de informatie op de aanmeldpagina.
Het wijzigen en het toevoegen van IP-adressen doet u met het aanmeldformulier. Dit aanvullende IP-adres wordt volgens hetzelfde tijdschema als een normale aanvraag doorgevoerd.
Ja dat kan, maar het is niet handig. Als overheid hebt u recht op een gegarandeerd servicelevel via PDOK Basis. U hoeft uw organisatie daarvoor slechts aan te melden. Voor overheden zijn aan het gebruik van PDOK Basis verder geen kosten verbonden.
PDOK onderschrijft het beleid en de PDOK-partners hebben ook de intentie om dit te implementeren. Voor het grootste deel van de PDOK webservices is dat ook al gerealiseerd. Voor een paar zijn er nog belemmeringen. Vaak betreft dit bestaande afspraken over het rekenen van verstrekkingskosten, maar soms is open niet mogelijk uit oogpunt van veiligheid (militaire terreinen) of omdat openstelling marktverstorend werkt. Er wordt aan gewerkt om deze belemmeringen weg te nemen, maar dat kost tijd.
Wij verwachten van onze gebruikers dat ze deze restricties respecteren en dat ze de PDOK-diensten niet gebruiken om een eventueel eigen open data beleid te ondersteunen. Het is dus niet toegestaan om PDOK-diensten en data zonder voorafgaand overleg met PDOK voor hergebruik aan te bieden.
Het programma PDOK werkt met een klantenpanel waarin zij ideeën voor het programma toetst. Het klantenpanel geeft advies over de inrichting van de webservices. Het panel staat onder leiding van Elvera van de Panne (Raad Vastgoed Rijksoverheid).
Het bedrijfsleven is betrokken via het klantenpanel, maar ook door gerichte informatiebijeenkomsten over het programma. Daarnaast gaat de procesmanager van het team Vraag en Verbinding actief de dialoog aan met (vertegenwoordigers van) het bedrijfsleven om hun rol in het programma en het gebruik van de producten van het programma in te brengen in de ontwikkelactiviteiten. Bij het ontwikkelen van de motor is het bedrijfsleven ingezet om kennis en expertise mee uit te wisselen.
PDOK biedt sinds 1 februari 2012 twee dienstenniveaus aan:
- Basis: dienst voor specifieke doelgroepen met een gegarandeerd dienstenniveau en geen beperkingen in de gebruiksintensiteit.
- Fair Use: gratis dienst voor iedereen met een “best effort” dienstenniveau (geen garanties en support) en een gebruiksintensiteit die binnen de kaders van de vastgestelde “fair use policy” moet blijven.
Een belangrijk verschil tussen het PDOK Fair Use en PDOK Basis is dat voor PDOK Fair Use maar een beperkte hoeveelheid capaciteit beschikbaar is en dat van de gebruikers veel zelfredzaamheid wordt verwacht.
Het verschil in dienstenniveaus heeft te maken met de financiering van de kosten voor de exploitatie van de PDOK infrastructuur en met het soort gebruik. Omdat PDOK vaak het enige kanaal is waarmee de geo-basisregistraties worden ontsloten, zijn overheden verplicht de PDOK services te gebruiken. In de financiering van de PDOK-voorziening is hiermee rekening gehouden. Het overheidsgebruik van de PDOK Basis dienst is via budgetfinanciering gedekt. Dit omvat ook het als overheid aanbieden van publieksdiensten (toepassingen voor burgers en bedrijven).
De huidige financieringsafspraken dekken echter niet gebruik door andere partijen (privaat gebruik). Omdat de PDOK-partners het belangrijk vinden dat iedereen de PDOK-producten kan afnemen, hebben ze besloten om uit hun eigen middelen een beperkte hoeveelheid capaciteit voor algemeen gebruik beschikbaar te stellen: PDOK Fair Use. Hierbij zorgen de fair use kaders ervoor dat zoveel mogelijk gebruikers van de beschikbare capaciteit kunnen profiteren en dat niemand zich een onevenredig deel kan toe-eigenen.
Voor de introductie van PDOK Fair Use moest elke organisatie zich aanmelden om toegang tot PDOK te krijgen (om op de “whitelist” te komen). Inmiddels is aanmelding alleen nog maar nodig om toegang tot het dienstenniveau Basis te krijgen. Bestaande aanmeldingen worden als volgt omgezet:
Hiervoor hebben we geen sluitende definitie. Tot de overheid rekenen we in elk geval de eenheden van ministeries, baten-lastendiensten, zbo’s, provincies, waterschappen, gemeenten en gemeenschappelijke regelingen. Voor andere organisaties (stichtingen, coöperaties, verenigingen, etc.) geldt de vuistregel dat PDOK ze als overheid kan beschouwen als ze verplicht gebruik van de geo-basisregistraties moeten maken. Tot de overheid rekenen we in elk geval niet Universiteiten en andere onderwijsinstellingen.
Als bedrijf kunt u van de “open” PDOK diensten gebruik maken via PDOK Fair Use. Hiervoor is geen aanmelding bij PDOK nodig. Deze diensten zijn via het Nationaal georegister te vinden. Het gebruik gaat volgens de fair use policy.
Bedrijven kunnen overigens wel toegang tot de gesloten PDOK diensten krijgen als dit nodig is voor het uitvoeren van een overheidsopdracht. In dat geval kan uw opdrachtgever toegang voor u aanvragen. Deze toegang geldt dan alleen voor de duur van de opdracht en voor direct aan deze opdracht gerelateerde activiteiten. U mag de diensten dus niet voor andere doelen gebruiken.
Ja, bepaalde PDOK-diensten worden als “open” dienst aangeboden en zijn daarmee voor iedereen beschikbaar. Het gebruik hiervan valt onder PDOK Fair Use. U vindt deze diensten in het Nationaal Georegister.
Nee, alle huidige aangeboden open services zijn vrij van kosten te gebruiken. Wel geldt er een fair use policy en kan een gebruiker bij een extreme data-afname worden afgesloten.
Nee, u moet zich houden aan de spelregels. Daarnaast kunnen er per individuele service specifieke gebruiksvoorwaarden gelden die zijn vastgelegd in de bij de service behorende gebruiksvoorwaarden (de licentie). Welke gebruiksvoorwaarden van toepassing zijn, is opgenomen in de bij de service behorende metadata. Deze metadata wordt in het Nationaal Georegister gepubliceerd. Door in het Nationaal Georegister bij Organisaties te zoeken op Rijksoverheid/PDOK vindt u een lijst met alle PDOK-services. Daarnaast bestaan er licenties voor de bronbestanden. U vindt deze eveneens in het Nationaal Georegister.
Onder PDOK Fair Use worden alleen services met een “open” licentie aangeboden: Publiek Domein, Creative Commons Zero (CC-0), Creative Commons Source Attribution (CC-BY) en incidenteel, als het gebruikte bronbestand dit afdwingt, Creative Commons Share Alike (CC-SA).
PDOK Basis biedt ook services met andere licenties aan, zoals Geo Gedeeld Gebruik met doelbeperking en Geo Gedeeld Doorleveren verboden.
PDOK Fair Use is bedoeld voor het bevorderen van innovatie en kleinschalig gebruik van geo-informatie. Daarom hoeft u geen contracten te tekenen en hoeft u niet te betalen. Omdat bij PDOK fair use een vaste hoeveelheid capaciteit met door een grote groep gebruikers wordt gedeeld, kan het zijn dat bij drukte wachttijden ontstaan. PDOK Fair Use is daarom niet geschikt voor toepassingen die een bepaalde minimum performance vereisen.
PDOK Fair Use vergt ook zelfraadzaamheid. We verwachten dat zelf met behulp van de beschikbare documentatie de services kunt toepassen en dat u zelf problemen op kunt lossen. PDOK biedt zelf geen support. U kunt via https://pdok.pleio.nl wel de hulp van de PDOK community inroepen.
Dit is beschreven in de Productbeschrijving PDOK Fair Use. In deze productbeschrijving vindt u wat u van deze dienst mag verwachten, waar u zich aan moet houden (de fair use policy) en welke geo-bestanden onder deze dienst worden aangeboden. Belangrijke kenmerken van PDOK Fair Use is de laagdrempelige toegang (geen aanmeldprocedure en gratis), ten opzichte van het beperkte serviceniveau (geen garanties en support).
Ja, PDOK Fair Use is beschikbaar voor iedereen, mits u in de geest van de gedragsregels (de fair use policy) handelt.
Op dit moment is dat meestal niet mogelijk. De huidige PDOK financiering biedt alleen ruimte voor overheidsgebruik. PDOK zal in overleg met het geo-bedrijfsleven onderzoeken of er en financieringsmodel kan worden ingevoerd dat privaat gebruik van de PDOK Basis dienst mogelijk maakt. Dit is echter een complex vraagstuk en niet op korte termijn oplosbaar.
In enkele uitzonderlijke gevallen kan een bedrijf toch gebruik van PDOK Basis maken. Bijvoorbeeld als dit absoluut noodzakelijk is voor het kunnen uitvoeren van een overheidstaak.
Ja. Let echter wel op de fair use bepalingen. Bepaalde onderwijstoepassingen vergen meer gebruik dan op grond van fair use is toegestaan. Voor zaken als complexe analyses kunt u vaak beter de bronbestanden downloaden. De meeste zijn als open data beschikbaar. Daarnaast zijn er voor de onderwijswereld speciale arrangementen getroffen om geo-data beschikbaar te maken, o.a. via het project MAP4 SCIENCE.
Ja, onder PDOK Fair Use zijn vrijwel alle PDOK-webservices beschikbaar. U kunt daarmee uw toepassing ontwikkelen en testen. De overheidsklanten die uw product gaan toepassen hebben recht op PDOK Basis en de daarmee verbonden zekerheid over dienstenniveau en capaciteit. Dit andere dienstenniveau is ook het enige verschil. De onder PDOK Fair Use en PDOK Basis beschikbaar gestelde services zijn technisch identiek.
Hoewel PDOK er naar streeft om zoveel mogelijk services onder PDOK Fair Use aan te bieden, zijn er enkele services waarvoor dat niet mogelijk is omdat ze alleen aan specifieke doelgroepen beschikbaar mogen worden gesteld. Dit geldt bijvoorbeeld voor beeldmateriaal dat alleen aan de betrokken inkooppartners mag worden verstrekt. In de PDOK handleiding op Pleio is beschreven hoe u in dat geval toch kunt testen of uw voor overheidsgebruik bestemde toepassing goed werkt.
We willen duidelijkheid bieden over het dienstenniveau waarop de verschillende afnemers recht hebben. Om te voorkomen dat enkele gebruikers de volledige capaciteit verbruiken en er niets voor anderen overblijft, is het noodzakelijk om het gebruik te reguleren en te prioriteren. Hiervoor zijn spelregels opgesteld: de fair use policy.
Dit wordt toegelicht in de productbeschrijving van PDOK Fair Use. Het komt er op neer dat u er op moet letten dat uw gebruik de PDOK-voorziening niet te zwaar belast.
Dit is in de productbeschrijving PDOK Fair Use vastgelegd. U moet hierbij onder andere denken aan de volgende situaties:
- Als we vermoeden dat sprake is van onwettige activiteiten
- Als blijkt dat uw gebruik de PDOK infrastructuur zodanig zwaar belast dat de dienstverlening aan andere gebruikers in gevaar komt.
We proberen altijd eerst contact met u op te nemen om in onderling overleg het probleem op te lossen. Bijvoorbeeld om na te gaan of u niet op PDOK Basis kunt overstappen. Een ander alternatief is dat u eigen services ontwikkelt op basis van de beschikbare PDOK open data bestanden.
Omdat u zich voor PDOK Fair Use niet hoeft aan te melden, kunnen wij niet altijd achterhalen wie in strijd met de fair use policy handelt. In dit soort gevallen en bij acute problemen, zullen we zonder waarschuwing de dienstverlening stoppen (het betreffende IP-adres of IP-adresreeks blokkeren). U kunt in dat geval via BeheerPDOK@kadaster.nl contact met ons opnemen om te bespreken hoe we de dienstverlening kunnen continueren.
RO Standaarden
Hieronder vindt u een overzicht van veel voorkomende vragen en antwoorden over de toepassing van RO Standaarden. Heeft u een andere vraag over het toepassen van de standaarden, stuur dan een e-mail naar ro-standaarden@geonovum.nl
Telefonisch is de helpdesk van maandag tot en met donderdag tijdens kantooruren te bereiken via telefoonnummer 033 - 460 41 00.
Wilt u een opmerking maken over de werking van de standaard of een fout in de standaard melden? Maak dan gebruik van het meldingenformulier.
De PRPCP2008 wordt gebruikt en is bedoeld voor plannen die onder de oude WRO de vigerende ruimtelijke plannen digitaal en objectgericht wil maken. Met PRPCP2008 wordt de informatie per plan gegeven.
De plannen conform de Wro die na 1 januari 2010 in procedure gaan, moeten voldoen aan de RO Standaarden 2008. De IDN hierin is inderdaad anders dan de IDN van de IMRO2006. Als een plan in de periode 1 juli 2008-1 januari 2010 wordt opgesteld, gebruikt men al vooruitlopend op de verplichting vanaf 1 januari 2010 de RO Standaarden 2008 voor. Worden de RO Standaarden nu nog niet gebruik voor de plannen die nu de procedure ingaan, dan is dat geen probleem. De bronhouder is wel verplicht is de plannen digitaal beschikbaar te stellen, vormvrij. Dit kan in de vorm van pdf. En dat mag conform PRPCP2008. Hiervoor wordt dan de IDN methodiek gehanteerd zoals bij IMRO2006, niet IMRO2008.
Het maken van een contourenkaart is niet verplicht. Dat het erg gemakkelijk kan zijn om een contourenkaart te hebben van alle ruimtelijke plannen binnen de grenzen van de gemeente wordt ook door VROM erkend. Daarom heeft VROM een niet-verplichte praktijkrichtlijn opgesteld met aanwijzingen voor het opstellen van een plancontour en inscannen van WRO plannen. Dit met als doel ook deze plannen en informatie uit te kunnen wisselen en delen met anderen. Als de plannen op deze manier beschikbaar worden gesteld op de website van de gemeente kunnen ze ook door andere bronhouders worden geraadpleegd in RO-Online.
De Praktijkrichtlijn Plancontour en PDF kunt u net als de verplichte RO Standaarden raadplegen en downloaden via deze site.
De wijziging Regeling standaarden ruimtelijke ordening is 17 juni 2009 gepubliceerd in de Staatscourant.
Het ministerie van VROM heeft begin dit jaar naar alle bronhouders 1 exemplaar (per bronhouder) van de map met de RO Standaarden gestuurd. Deze zending was eenmalig. Wilt u zelf gebruik maken van de RO Standaarden in papieren vorm en nog belangrijker, de door u zelf samengestelde map actueel houden, dan kunt u hiervoor de documenten zelf downloaden.
Vanaf 1 januari 2010 worden vrijwel alle nieuwe planologische visies, plannen, besluiten, verordeningen en algemene maatregelen van bestuur (Wro instrumenten) digitaal vervaardigd en op elektronische wijze beschikbaar gesteld.
Echter, het exploitatieplan (Wro afdeling 6.4) hoeft niet digitaal, ook niet vanaf 1 januari 2010. De reden daarvoor is eenvoudig: bij de voorbereiding van het project dat de realisatie van de RO Standaarden 2008 tot stand heeft gebracht, is in de Wro gekeken welke instrumenten de standaarden allemaal zouden moeten ondersteunen. Op dat moment was de Grondexploitatiewet (Grex) nog niet opgenomen in de Wro en is dan ook niet meegenomen bij de digitalisering. Daarom wordt er vanuit de RO Standaarden momenteel geen ondersteuning geboden om ook het exploitatieplan op soortgelijke wijze te digitaliseren.
Op het moment zijn er geen regels voor het digitaal exploitatieplan, artikel 6.2.2 Bro is daarom nog niet in werking getreden (zie inwerkingstredings-kb), en zal ook op 1 januari 2010 niet in werking treden.
De Praktijkrichtlijn Plancontour en PDF (PRPCP2008) geeft aan dat de pdf bestanden niet groter mogen zijn dan 5 Mb. In de praktijk kan een scan van een bestemmingsplankaart of van de voorschriften groter zijn dan 5Mb. Bij het maken van de pdf (het scannen van de materialen) kunt u echter aangeven hoe nauwkeurig (dpi) het document moet worden.
Houdt u voor het maken van een plancontour aan onderstaande normen voor beschikbaarstelling via een STRI2006 manifest.
- Voor beschikbaarstelling wordt een lage scanresolutie van maximaal 96 dpi gebruikt, dat geschikt isvoor beeldgebruik. Immers hoge resoluties betekent grote bestanden die zo groot kunnen zijn, dat gebruik door eindgebruikers over een normale internetverbinding te traag zo niet onmogelijk wordt;
- Scanning in kleur, bitdiepte maximaal 24 bits of zwart-wit bitdiepte maximaal 16-bits;
- In de PDF worden de gescande afbeeldingen gecomprimeerd;
Gamma-instelling 2,2; - Kleurruimte sRGB;
- Maximale bestandsgrootte: 5 Mb;
- Voor normen voor bestandsformaten wordt verwezen naar PRPCP2008, hoofdstuk 6.
De Validator en RO-Online controleren vooralsnog niet op de grootte van de pdf bestanden. Indien een document bijvoorbeeld 5,5 Mb groot is, is dit geen probleem. Het is echter voor de gebruikers van RO-Online niet prettig wanneer een pdf van bijvoorbeeld 60 Mb beschikbaar is gesteld door de bronhouder.
De bronhouder kan op de eigen website voor de bezoekers wel de grotere bestanden beschikbaar stellen als zij dit wil, maar bij voorkeur niet via het STRI2006 manifest voor RO-Online.
Het overgangsrecht Wro bepaalt dat een plan dat ouder is dan 5 jaar bij de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 binnen 5 jaar moet worden herzien. Dit is voor 1 juli 2013.
De Regeling standaarden ruimtelijke ordening (digitale verplichting) van de Wro gaat in per 1 januari 2010. Dat betekent dat alle plannen (ook herzieningen van oude plannen) die na 1 januari 2010 de procedure ingaan, moeten voldoen aan de RO Standaarden. Het plan wordt digitaal beschikbaar gesteld op een weblocatie. RO-Online kan dit plan ophalen doordat in de index de weblocatie bekend is. Bij publicatie wordt aangegeven waar het plan ingezien kan worden. Dat kan RO-Online zijn.
De inwerkingtreding van de digitalisering verplichting per 1 januari 2010 heeft geen invloed op het overgangsrecht en de hieraan gekoppelde termijn van 5 jaar. Van eventueel uitstel actualisering tot 2015 is dan ook geen sprake.
Bij een structuurvisie spreken we van beleidsdocumenten en beleidsteksten. Het beleidsdocument is de volledige structuurvisie in tekstvorm. De beleidstekst wordt opgenomen bij het object structuurvisiegebied. Vergelijk dit met de bestemmingsregels die worden gekoppeld aan een bestemming. Deze zijn ook een deel van de planregels die behoren bij een specifiek object.
Wellicht is verbeelding wat verwarrend. Het projectbesluit dient namelijk raadpleegbaar te zijn door op een vlak te klikken, waardoor informatie wordt verkregen over het projectbesluit. Hetzelfde als bij een bestemmingsplan. Echter voor een projectbesluit is geen afgesproken weergave van de verbeelding zoals dat bij een bestemmingsplan bepaald is met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2008). De kleur en arcering van vlakken of lijnen in het projectbesluit mogen dus vrij gekozen worden. In de praktijk wordt regelmatig de SVBP2008 gebruikt voor de verbeelding en benaming van de objecten in het projectbesluit. De motivering hiervoor is dat het projectbesluit met een jaar toch in het bestemmingsplan opgenomen moet worden en dit dan eenvoudiger is.
Welke documenten gekoppeld moet worden bij een gebiedsgericht besluit is afhankelijk van het besluit. Met behulp van de PRGB zijn namelijk zeven verschillende soorten besluiten samengevat. De PRGB kent het besluitgebied, besluitvlak en besluitsubvlak.
Als voorbeeld het projectbesluit. De bestanden die gekoppeld kunnen worden (conform STRI, tabel 2):
- Besluitdocument: d_
- Bijlagen bij besluitdocument: db_
- Besluittekst: b_
- Bijlagen bij besluittekst: bb_
- Regels: r_
- Bijlagen bij regels: rb_
- Toelichting: t_
- Bijlagen bij toelichting: tb_
- Vaststellingsbesluit: vb_
Het besluitdocument wordt gekoppeld aan het besluitgebied (vergelijkbaar met een bestemmingsplan: plangebied). De tekst heeft betrekking op het volledige plan. Niet ieder projectbesluit heeft bijlagen bij het besluitdocument. Het is mogelijk het collegevoorstel te plaatsen in de bijlagen van het besluitdocument.
De besluittekst (beleidstekst) wordt gebruikt voor de onderbouwing van het object. Het kan alleen aan een besluit(sub)vlak worden gekoppeld ofwel de inhoud van het plan (maximaal 1).
Stel er is een aanlegvergunning opgenomen, daarvoor kunnen nog specifieke regels voor opgenomen worden met behulp van r_ in plaats van de besluittekst (maximaal 1).
Een vaststellingsbesluit wordt aan het plan (het besluitgebied) gekoppeld wanneer het plan de status vastgesteld of later heeft.
De toelichting is de onderbouwing van het projectbesluit.
Het besluitdocument is een document waarin het besluit, in voorkomend geval inclusief eventuele toelichting en/of voorschriften/regels, is opgenomen. Het besluitdocument wordt gekoppeld aan het besluitgebied (vergelijkbaar met een bestemmingsplan: plangebied). Uitleg over de te koppelen informatie en documenten is gegeven op de RO Standaarden pagina, onderdeel publicaties, of direct via deze link.
Net als bestemmingsplannen moeten ook structuurvisies die na 1 januari 2010 in procedure gaan conform de digitale vereisten van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening beschikbaar worden gesteld. Dit betekent oa een GML (de visie zelf), de teksten, geleideformulier ed. op de weblocatie van de bronhouder (gemeente, provincie of Rijk) zetten begeleid door een manifest.
In de kennisgeving van de structuurvisie verwijst de bronhouder naar de structuurvisie door middel van het planidentificatienummer en waar het plan digitaal is in te zien. Dit is aangegeven in de PRgSV en de STRI. Uitleg over de te koppelen informatie en documenten is gegeven op de RO Standaarden pagina, onderdeel publicaties, of direct via deze link.
Vanuit de RO Standaarden zijn geen vereisten opgenomen met betrekking tot de naamgeving van de ondergrond. Het is wel aan te raden de ondergrond met een unieke naam te bewaren; o_[idn plan]. Door de idn van het plan op te nemen in de bestandsnaam van ondergrond is de ondergrond altijd traceerbaar. De naam (de bestandsnaam) van de ondergrond wordt opgenomen bij het plangebied van het betreffende plan.
Oude WRO structuurvisies kunnen met de RO Standaarden alsnog digitaal beschikbaar worden gesteld met de RO Standaarden. De Validator geeft bij controle wel een waarschuwing dat de vaststellingsdatum van de visie voor 1 juli 2008- de inwerkingtredingdatum van de Wro- is. Het plan wordt wel op www.ruitmelijkeplannen.nl geplaatst. De analoge versie blijft de authentieke structuurvisie.
Het is niet mogelijk hiervoor de PRPCP te gebruiken omdat deze praktijkrichtlijn alleen voor WRO bestemmingsplannen kan worden toegepast.
In de Praktijkrichtlijn Gebiedsgerichte Besluiten (PRGB2008), is in tabel 1, pagina 31, de naamconventie van de regels/voorschriften aangegeven met een "t_". Dit is een (type)fout in de PRGB, het moet een "r_" zijn. Geonovum heeft dit punt toegevoegd aan de lijst voor wensen en eisen voor aanpassing van de RO Standaarden bij een volgende ronde. De melding is bij ons bekend onder nummer ‘3219’.
De RO Standaarden zijn ook in het Engels beschikbaar. Stuur hiervoor een bericht naar de helpdesk RO Standaarden.
De gemeente kan u vertellen welk bestemmingsplan op welke locatie actueel en dus vigerend is. Ook wanneer u inhoudelijke vragen over het bestemmingsplan heeft, is de gemeente het loket waar u terecht kunt. De heldesk RO Standaarden helpt particulieren niet bij deze vraagstukken.
Een multivlak is een vlak dat is samengesteld uit meerdere vlakken. In de CAD (teken) applicatie is dit te realiseren met behulp van een multipolygoon; meerdere vlakken worden aangemerkt als 1 object met 1 idn. Hoe de multipolygoon kan worden gemaakt verschilt per applicatie.
Door de inwerkingtreding van de Wabo per 1 oktober 2010 zijn er direct twee gevolgen voor de Wro en het werkveld van de ruimtelijke ordening, met name op het gebied van de digitalisering.
- De aanlegvergunning, de sloopvergunning en de binnenplanse ontheffing als instrumenten van het bestemmingsplan zijn onderdeel van de omgevingsvergunning.
- De Wro instrumenten projectbesluit en ontheffingen zijn opgenomen als onderdeel van de omgevingsvergunning en niet meer als een zelfstandig Wro instrument.
Op onze website vindt nadere informatie hierover.
De beheersverordening is conform de RO Standaarden een gebiedsgericht besluit. Alleen bestemmingsplannen, inpassingsplannen en rijksbestemmingsplannen moeten en kunnen met de SVBP van een standaard opmaak worden voorzien.
De workaround- oplossing houdt in dat de gemeente een plankaart maakt op dezelfde wijze en met dezelfde software als die voor bestemmingsplannen gebruikt worden. In plaats van deze plankaart zelf echter als een gedetailleerd GML-bestand (objectgericht, vergelijkbaar) te publiceren wordt deze als PDF- bestand aan een contour van het plangebied gekoppeld. Zowel juridisch als technisch is dit mogelijk. Het enige gemis is dat de plankaart op ruimtelijkeplannen.nl dan in grijstinten wordt getoond en het ‘gekleurde plaatje’ alleen is te bekijken via de gekoppelde PDF en niet interactief zoals een bestemmingsplan.
Het plannummer, ofwel de identificatiecode, van het object Bestemmingsplangebied heeft de volgende opbouw: NL.IMRO.xxxx.yyyyyyyyyyyyyyyyyy-zzzz
- Waarbij NL de landencode van Nederland is, gevolgd door een punt (.)
- Waarbij IMRO altijd volgt, dit is de aanduiding van de namespace waarin het object voorkomt, gevolgd door een punt (.)
- Waarbij Bronhouder (de xxxx in bovenstaand opbouw) de aanduiding van het CBS-nummer van de bronhouder van de dataset is, in uw geval van de gemeente Koggenland, gevolgd door een punt (.).
- Waarbij de Naamcode (de yyyyyyyyyyyyyyyyyy in bovenstaand opbouw)de door de bronhouder te bepalen naam van maximaal 18 alfanumerieke karakters is, gevolgd door een streepje (-). De naamcode is uniek binnen de context van de RO instrumenten van de bronhouder.
- Waarbij Versiecode (de zzzz in bovenstaand opbouw) de door de bronhouder te bepalen versie van het instrument (bestemmingsplan)is in de vorm van vier alfanumerieke karakters. Dit zijn altijd 4 karakters, indien nodig met gebruik van voorloopnullen. De versiecode is uniek voor alle versies die extern gepubliceerd zijn conform de STRI2008. De versiecode wordt altijd opgehoogd indien er sprake is van een nieuw planstadium, bijvoorbeeld van voorontwerp naar vastgesteld, maar ook als er binnen één planstadium meerdere versies extern worden gepubliceerd.
In de naamcode van de identificatie wordt de naam van het plan ingevuld door alfanumerieke karakters, cijfers en letters. De bronhouder beslist of dit alleen cijfers, alleen letters of een combinatie van cijfers en letters is. Er wordt geen gebruik gemaakt van een punt (.) of bijvoorbeeld een liggend streepje(_).
Het gebruik van de versiecode is verplicht. Hoe de versiecode wordt gebruikt en wanneer deze wordt opgehoogd:
- Altijd opgehoogd indien er sprake is van een nieuw planstadium, bijvoorbeeld van voorontwerp naar vastgesteld;
- Ook altijd als er binnen één planstadium meerdere versies extern worden gepubliceerd;
- Maar ook zo vaak de bronhouder dat wil, bijvoorbeeld bij interne versies.
De bronhouder heeft daarmee enige invloed op de versiecode en daarmee de identificatie. Wellicht hebben ze dit ook in een handboek bepaald. De opbouw van zzzz kan op deze wijze verschillend worden gehanteerd door de verschillende bronhouders. Dit is de ruimte die wordt aangegeven met ‘de bronhouder bepaalt’.
Lees hier verder voor de opbouw van identificatiecode van het object Bestemmingsplangebied.
In de identificatie van het plan (plannummer) neemt u geen CBS-buurt/wijkcode op. Met de DURP standaarden 2006 was het wel standaard waar mogelijk een CBS-buurt/wijkcode mee te geven in de identificatie. Het is de bronhouder nu vrij om eventueel in de naamcode wel een CBS-buurt/wijkcode te gebruiken.
Lees hier verder voor de opbouw van identificatiecode van het object Bestemmingsplangebied.
Bij het bestemmingsplangebied kan maximaal 1 verwijzing naar de ‘bijlage bij toelichting’ opgenomen worden, deze verplichting is te lezen in de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen (PRBP). Er mag ook maximaal 1 verwijzing naar ‘bijlage bij regels’ opgenomen worden bij het bestemmingsplangebied.
Dit is gedaan om een lange lijst van individuele verwijzingen te voorkomen. In de praktijk kan de toelichting echter van meerdere bijlagen zijn voorzien. Er zijn twee mogelijkheden om dit op te lossen.
- Alle bijlagen bundelen tot 1 document;
- Maak gebruik van een index of inhoudsopgave in de bijlage, die verwijst naar verschillende documenten. In dit geval kan de bijlage gesplitst worden in zoveel documenten als nodig is. Als maar 1 document met index of inhoudsopgave gekoppeld is aan het bestemmingsplangebied als ‘bijlage bij toelichting’. Bijvoorbeeld: ‘ tb_NL.IMRO.0999.BP2008000001-0005_inhoud.htm’.
De laatste oplossing is ook toegepast in het voorbeeld bestemmingsplan op de Geonovum RO Standaarden website: NL.IMRO.0999.BP2008000001-0005.
In het vaststellingsbesluit wordt het digitale plan vastgesteld. De naam van het plan kan zeker worden opgenomen, maar de daadwerkelijke identificatie van het plan is het plannummer (planIDN). Het plannummer staat centraal, op basis daarvan kan het plan geïdentificeerd worden. Dit plannummer moet worden opgenomen in het vaststellingsbesluit. De naam van de analoge verbeelding wordt niet in het vaststellingsbesluit opgenomen. Op de plot van het plan neemt u het plannummer wel op. Dit kan naast de naam van het plan.
De ondergrond van het bestemmingsplan is een uitsnede voor dat plan; het gaat om dat plan en niet om de rest van de gemeente. De gebruikte ondergrond wordt apart als zodanig bij het plan opgeslagen, bij voorkeur met hetzelfde IDN als het bestemmingsplan. Digitaal is dit een los bestand naast het plan, dat wel samen met de rest van de plangegevens gearchiveerd wordt. Zet op de analoge bestemmingsplankaart ook diezelfde IDN van de ondergrond.
Voor meer informatie rondom het archiveren van digitale ruimtelijke plannen, klik hier.
Nee. De statussen ontwerp en vastgesteld zijn de in bestemmingsplanprocedure in de Wro geregeld. De status geconsolideerde versie niet. Het is met de RO Standaarden wel mogelijk deze status aan een bestemmingsplan te geven. Hiermee wordt dan de meest actuele en complete versie van het bestemmingsplan beschikbaar gesteld. In de PRBP is hier paragraaf 4.6 aan gewijd.
Bestemmingsplannen die na 1 januari 2010 in procedure zijn gegaan moeten aan de RO Standaarden voldoen, dus ook SVBP. Deze verplichting komt voort uit uit de Ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening.
Er is vanuit met name de Wro, maar ook de RO Standaarden geen procedure voorgeschreven hoe het digitale plan behandeld moet worden vanaf de status vastgesteld. Hieronder zijn de mogelijkheden aangegeven.
Anders dan in de oude WRO is er geen wettelijke verplichting om een plan dat onherroepelijk geworden is, of deels vernietigd in deze vorm ter beschikking te stellen. Strikt genomen volstaat het dus om een vastgesteld plan op de wijze zoals voorgeschreven in de RO Standaarden te beschikbaar te stellen en publiceren.
Echter, het is vanuit oogpunt van dienstverlening en rechtszekerheid voor gebruikers van plannen onbevredigend deze wijzigingen niet (in digitale vorm) kenbaar te maken. Een gebruiker van ruimtelijkeplannen.nl (RO-Online) die afgaat op een daar aanwezig vastgesteld plan heeft er geen weet van dat er mogelijk gerechtelijke uitspraken zijn die op het plan betrekking kunnen hebben en wat daar de inhoud van is. Uiteindelijk is dit een ongewenste situatie.
Bij het publiceren van een plan met een status met onherroepelijk (of andere na ‘vastgesteld’) moet het plan idn zijn aangepast (verhoogd) ten opzichte van het plan met de status vastgesteld. Zowel de GML moet met status zijn aangepast, als alle planbestanden met de nieuwe (versie) bestandsnaam. Alleen noodzakelijke wijzigingen moeten in de bestanden (tekst, het plan) worden doorgevoerd, zoals het deel dat vernietigd is. Dit deel wordt aangepast. Neem in de tekst een verwijzing naar de uitspraak op: het LJN nummer (dit is het nummer waaronder de uitspraak op rechtspraak.nl is opgenomen) en een deeplink (directe hyperlink) naar betreffende uitspraak op www.rechtspraak.nl.
Neem daarnaast in het attribuut ‘VerwijzingNaarExternPlanInfo’ van het plangebied informatie over het besluit op. Vul hierbij in:
- naamExternPlan: titel uitspraak;
- idnExternPlan: LJN nummer (dit is het nummer waaronder de uitspraak op rechtspraak.nl is opgenomen);
- rolExternPlan: ten gevolge van extern plan/besluit.
Door de opname van tekstuele informatie bij 'VerwijzingNaarExternPlan' is op planniveau al zichtbaar (op ruimtelijkeplannen.nl) dat er sprake is van een relevante gerechtelijke uitspraak.
Indien een bestemming niet onder een hoofdgroep van enkelbestemmingen is te scharen, wordt gebruik gemaakt van de hoofdgroep ‘Overig’. In dat geval is de naam van de bestemming de naam van de te bestemmen functie. In de naam van de bestemming neemt u Overig niet op, ook niet in de regels. ´Overig´ koppelt u als een van de attributen bij het object bestemming(bestemmingshoofdgroep).
De analoge en digitale verbeelding van de bestemmingsplannen dienen te voldoen aan de eisen die gesteld zijn in de RO Standaarden, onderdeel Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2008).
Specificatie van een bestemming kan plaatsvinden door achter de naam van de hoofdgroep een specifieke bestemmingsbenaming te zetten. Hierdoor ontstaat een aparte bestemming met eigen regels. Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt, wanneer zich binnen dezelfde hoofdgroep functies voordoen die qua ruimtelijke kenmerken en effecten, ook wel situeringskenmerken genoemd, grote verschillen vertonen.
Gebruik voor de specificatie van de bestemming een lettercombinatie die nog niet gekoppeld is aan een andere bestemming of aanduiding in de SVBP. De letters WR kunnen niet gebruikt worden omdat deze gekoppeld zijn aan de dubbelbestemming hoofdgroep ‘Waarde’.
Voorbeeld: Agrarisch - Akkerbouw (A-AK)
De gebiedsaanduidinggroepen zijn limitatief, maar de functies onder de groepen niet. Dit is dezelfde systematiek die wordt gebruikt bij de (dubbel)bestemmingen.
Een geluidzone voor luchtvaartverkeer kan als volgt opgenomen in een plan;
- gebiedsaanduidingnaam: geluidzone – luchtvaart
- gebiedsaanduidinggroep: geluidzone
Bij de anloge verbeelding wordt voor deze gebiedsaanduiding gebruik gemaakt van bijbehorende originele gebiedsaanduiding ´geluidzone´. Zie voor de verbeelding bijlage 5 van de SVBP2008, de eerste weergave (met verticale strepen). Als er meerdere van deze geluidzones zijn, kan onderscheid worden gemaakt door cursief weergegeven cijfers. Dit nummer is dan wel opgenomen in het attribuut label dat hoort bij deze gebiedsaanduiding.
Het is mogelijk een bestemming zoals Woongebied op te nemen zonder een bouwvlak of andere aanduidingen binnen deze bestemming. Het is wel verstandig in de bijhorende regels dit te verklaren. Indien er meerdere bestemmingen Woongebied in het bestemmingsplan zijn, kan er nog gespecificeerd worden door middel van nummering
- Woongebied 1
- Woongebied 2
De RO Standaarden verplichten niet tot het opnemen van bouwvlakken of andere aanduidingen als deze op die locatie niet van toepassing zijn. Maar als er bijvoorbeeld wel een lpg-zone is, moet deze natuurlijk wel opgenomen worden.
In de legenda van de analoge verbeelding volstaat met de omschrijving “plangebied”. In het hoekstempel staat de volledige naam van het plan.
Zet de bestemmingen en dubbelbestemmingen als 1 lijst direct onder elkaar zoals op pagina 4 van de SVBP wordt aangegeven. De lijst van (dubbel)bestemmingen is aangeven met een kopje “bestemmingen”. De lijst wordt afgesloten en gevolgd door een nieuw kopje; “aanduidingen” indien er natuurlijk aanduidingen zijn.
Als een gemeente goede ruimtelijke redenen heeft, kan en mag de gemeente een aanvullende regeling treffen. Dit kan in een aanvullende wijze van ‘meten bepaling’ of in de bouwregels. Het werken met specifieke bouwaanduidingen is ook mogelijk. Met een specifieke regeling kunnen ongewenste situaties worden voorkomen.
In de Praktijkrichtlijn voor Bestemmingsplannen (PRBP2008) staat het volgende over meerdere functieaanduidingen;
- "Het kan ook voorkomen dat meerdere, verschillende functieaanduidingen binnen één bestemming noodzakelijk zijn omdat de regels (voorheen voorschriften genoemd) dat vereisen. In dat geval komt het object Functieaanduiding meerdere keren voor".
- Bijvoorbeeld: een overlappende functie ‘parkeren onder maaiveld’ en ‘functie evenementen boven maaiveld’.
Het is dan ook mogelijk dat functieaanduidingen zoals geschetste voorbeeld elkaar overlappen, maar elkaar niet volledig dekken. Een functieaanduiding kan samenvallen met een bestemmingsvlak, maar ook gedeelten daarvan omvatten. Een functieaanduiding verwijst (attribuut) naar bestemmingsvlak of gebiedsaanduiding, maar kan niet verwijzen naar een andere functieaanduiding.
In paragraaf 1.7 van de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen (SVB2008)is aangegeven welke zaken in ieder geval op de analoge plankaart moeten worden geplaatst. Het idn van het plan (plannummer) staat hier niet bij. Echter het is wel belangrijk dat alle relevante bestemmingsplaninformatie aanwezig is op de analoge verbeelding. De voorkeur gaat er dan ook naar uit, om het idn van het plan terug te laten komen op de analoge verbeelding (hoekstempel). Aan de verbeelding is op deze wijze via het idn ook de status en versie van het plan te herleiden.
Een bouwaanduiding hoeft geen onderdeel te zijn van een bouwvlak. Een bouwaanduiding kan ook relatie hebben met een bestemmingsvlak zonder dat daar een bouwvlak ‘tussen’ ligt.
Dit geldt ook voor een maatvoering en voor een figuur.
Het is mogelijke een beschermd stadsgezicht als een dubbelbestemming op te nemen.
Indien wordt gekozen voor een dubbelbestemming, dan is dit een Waarde. Er kan gespecificeerd worden met een functie zoals deze al is opgenomen in de SVBP; Cultuurhistorie. Of de functie Beschermd stadsgezicht:
- Waarde - Cultuurhistorie
Waarde - Beschermd stadsgezicht
Beide is mogelijk volgens de SVBP2008 (zie hoofdstuk 3).
Er wordt voor een gebiedsaanduiding gekozen wanneer het gaat om gebieden/ zones die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. In de SVBP2008 is een limitatieve lijst van groepen van gebiedsaanduidingen opgenomen, met een ongelimiteerde functielijst. Indien u kiest voor een beschermd stadsgezicht als een gebiedsaanduiding dan kan dit via de gebiedsaanduidinggroep 'overig'. De naam van de aanduiding wordt:
- beschermd stadsgezicht
Voor de groep 'overig' is de keuze van het type arcering voor de analoge verbeelding vrij, de arcering dient wel in de bijbehorende grijze kleur te worden verbeeld. Voor de digitale verbeelding geldt een grijs gevuld vlak. Zie voor beide presentaties en kleurcodes de SVBP2008, bijlage 5.
Hoogspanning is ondergronds en hoogspanningsverbinding bovengronds.
De begripsbepalingen en wijze van meten moeten integraal overgenomen worden uit de SVBP2008. Men mag deze bepalingen e.d. wel aanvullen voor zover het de standaard bepalingen en wijze van meten niet weerspreekt.
Groepen van gebiedsaanduidingen zijn limitatief. De genoemde functies binnen de groepen zijn niet gelimiteerd. Dit is veranderd in versie 1.1 van de RO Standaarden 2008. In de eerste versie van de standaarden waren de regels anders. Raadpleeg Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP2008) onder het dossier RO Standaarden op deze site.
Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het mogelijk om bij een bestemmingsplan te bepalen dat voor een in het bestemmingsplan bepaalde termijn het verlenen van een omgevingsvergunning is uitgesloten. Dit kan op het niveau van de bestemming bepaald worden in de regels, maar gekoppeld worden aan een bepaald gebied.
Deze tijdelijke uitsluitingbevoegdheid bestond al in de Wro, artikel 3.22 lid 2 en was in de WRO bekend onder artikel 17. Onder de Wro kon een ontheffing voor een bestemmingsplan worden toegepast maar om een bepaalde reden voor een gebied binnen dat plan niet. Nu met de Wabo betekent dat dat er tijdelijk geen omgevingsvergunning kan worden toegepast.
Er is in de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) geen specifieke aanduiding voor benoemd. Bij het opstellen van de SVBP is men ervan uit gegaan dat een dergelijke bepaling in de regels wordt opgenomen. Het is niet nodig dit via de verbeelding direct te laten zien, maar natuurlijk wel mogelijk als de planmaker/ bronhouder dat wil. Het is mogelijk dit onder de gebiedsaanduiding wro-zone te laten vallen zonder hier een expliciet nieuwe naam aan de gebiedsaanduiding toe te voegen. Zie ook: de Wabo en Wro; wat verandert er?
Een rooilijn kan door middel van de figuur 'gevellijn' worden opgenomen. De aanduidingregels die men tot nu toe gewend was aan 'rooilijn' toe te voegen, worden nu toegevoegd aan ' gevellijn'. De bronhouder geeft zelf de betekenis van de bestemmingen en aanduidingen in de regels. In de SVBP is de 'gevellijn' in de lijst van figuren, bijlage 10 opgenomen.
Rijksmonumenten worden vaak niet in het bestemmingsplan geregeld, omdat de Monumentenwet daarop van toepassing is. Karakteristieke bebouwing, provinciale monumenten en gemeentelijke monumenten worden vaker in het bestemmingsplan opgenomen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ volgens de SVBP. Aan deze aanduiding kunnen bouw- en gebruiksregels worden gekoppeld.
Bij het maken van een functieaanduiding met de naam ‘specifieke vorm van ..’ is van belang waar de functie een specifieke vorm van is. De specificatie is gebonden aan de functie waar het een verbijzondering van is. Dat de aanduiding gebruikt wordt binnen een andere bestemming dan waar de aanduiding een ‘specifieke vorm van..’ is, is prima. Voorbeelden:
- Binnen de bestemming agrarisch wil je verkoop van ijs toestaan. Het wordt dan niet een ‘specifieke vorm van agrarisch..’ maar ‘specifieke vorm van horeca ..’ omdat het ijsverkooppunt een functie van horeca is en niet agrarisch.
- Binnen wonen wil je een schoonheidssalon toestaan. Dit wordt dan ‘specifieke vorm van detailhandel ..’ omdat een schoonheidssalon geen woonfunctie is.
In de SVBP is in bijlage 12 Wijze van meten de volgende definitie voor 'inhoud van een bouwwerk' opgenomen: "tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen". Wat de onderzijde van begane grondvloer is, wordt niet voorgeschreven in de SVBP.
De onderzijde begane grondvloer vindt zijn oorsprong in de NEN2580. Bij onduidelijkheden of interpretatieverschillen is de uitleg van de NEN2580 altijd bepalend geweest. Hierin wordt ook bepaald dat de vloerconstructie onder peil mee wordt gerekend. Wat betreft de precieze informatie hierover dient de nennorm er op nageslagen te worden.
Een maatvoering kan inderdaad horen bij een gebiedsaanduiding. Dit is weergegeven in de PRBP2008, pagina 22 in het relatiediagram.
Enkelbestemmingen worden niet gestapeld maar sluiten op elkaar aan. Er zijn echter wel situaties waarin enkelbestemmingen gestapeld voorkomen, zoals: een viaduct met bestemming verkeer waar onder zich een supermarkt bevind.
Een goede oplossing in dit geval is de weg de bestemming Verkeer te geven en op dat gedeelte van de bestemming waar het viaduct is en de supermarkt er onder is gevestigd een functieaanduiding detailhandel op te nemen. In de bestemmingsregels van Verkeer geeft u nadere uitleg wat detailhandel ‘onder’ verkeer doet.
Daarnaast kan waar 2 gelijkwaardige functies op een zelfde locatie plaats vinden altijd gekozen worden voor de bestemming Gemengd. Dit is toegelicht in bijlage 1 van de SVBP.
Het gebruik van leidingen als dubbelbestemming in combinatie met een figuur is goed. Het is niet verplicht functieaanduidingen te gebruiken en daarmee te letten op de werkafspraak leidingsoorten. Alleen wanneer de bronhouder gebruik zou willen maken van de functieaanduiding voor leiding, dan adviseren wij gebruik te maken van de werkafspraak.
In plaats van gebruik te maken van een functieaanduiding is het voor de vergelijkbaarheid aan te raden gebruik te maken van een bouwaanduiding. Het gaat namelijk meer om het voorkomen van de mast dan de functie van de mast zelf. Gebruik of ‘antennemast’ of ‘specifieke bouwaanduiding- reclamemast’ en beschrijf in de regels de toepassing.
Een hoogtescheidingslijn is conform de SVBP niet mogelijk. Wel is mogelijk deze verschillende bouwhoogten binnen 1 bestemming aan te geven met behulp van maatvoeringen. Doe dit bijvoorbeeld door een binnen de bestemming een bouwvlak op te nemen dat alle mogelijke bebouwing ‘omvat’. Om de bouwhoogte op te nemen wordt de maatvoering maximale bouwhoogte toegepast. Dit kunnen twee vlakken naast elkaar zijn, binnen het bouwvlak, en ook beide gekoppeld aan het bouwvlak. Verschil is dat de ene maatvoering bv 6m de andere 9m als maximale bouwhoogte.
Er moet altijd worden gemeten vanuit het hart van de lijn. Als vanaf de zijkant wordt gemeten zou er een stukje niemandsland kunnen ontstaan ter dikte van de lijn.
Conform de RO Standaarden is het niet verplicht binnen een bestemming een bouwvlak op te nemen. Geheel naar inzicht en de situatie kan de planmaker en/ of de bronhouder wel/ niet er voor kiezen een bouwvlak aan de bestemming toe te voegen.
Iedere gebiedsaanduiding is uniek en bestaat uit een eigen vlak met eigen informatie daarmee ook uniek identificatienummer. Alleen op deze manier kunnen de objecten geselecteerd worden bij het raadplegen en is dan duidelijk waar het object ligt en de begrenzing van het object loopt.
De in de Bro artikel 1.2.2 bedoelde landelijke voorziening is RO-Online. De bronhouder kan van deze landelijke voorziening gebruik maken bij de verplichting tot publicatie, het beschikbaar stellen van de ruimtelijke plannen. Dit is inclusief de verbeelding.
Voorbeeldplannen, met al hun onderdelen, zijn te vinden op de website van Geonovum onder Voorbeeldplannen. Bij de plannen treft u ook voorbeelden van een geleideformulier aan.
De stappen om de ruimtelijke plannen voor een ieder beschikbaar te stellen zijn beschreven in het document 'Stappenplan bronhouders RO-Online'.
Om uw plannen bekend te maken aan de index dient u een account aan te vragen voor deze index.Vanaf 1 november 2009 zal elke bronhouder die een account aanvraagt voor RO-Online dit doen volgens een vastgelegd format.
Nieuwe plannen die de procedure ingaan na de inwerkingtreding van de digitaliserinsverplichting van de Wro (1/1/2010) moeten conform de RO Standaarden beschikbaar worden gesteld. Het is niet mogelijk dit als ‘Plancontour en PDF’ te doen. De Praktijkrichtlijn Plancontour&Pdf kan gebruikt worden voor de oude WRO plannen. De identificatie bij deze plannen moet voldoen STRI2006 en IMRO2006. Daarnaast is alleen voor onderstaande plannen het 'type plan' aan te geven:
- gemeentelijk plan; bestemmingsplan artikel 10
- gemeentelijk plan; uitwerkingsplan artikel 11
- gemeentelijk plan; wijzigingsplan artikel 11
- gemeentelijk plan; voorbereidingsbesluit
De grondexploitatiewet is als hoofdstuk 6 onderdeel van de Wro opgenomen. Als ruimtelijk instrument is het exploitatieplan is niet meegenomen in de lijst van instrumenten waarvoor de digitale verplichting van de Wro geldt. Zie ook Bro artikel 1.2.1.
Binnen de RO Standaarden is geen ruimte om dit instrument van de Wro als zelfstandig plan digitaal beschikbaar te stellen. Wel kan het exploitatieplan als bijlage van de planregels van het bestemmingsplan digitaal beschikbaar stellen.
Het exploitatieplan dient in zijn geheel analoog ter inzage worden gelegd, evenals het bestemmingsplan dat naast de digitale beschikbaarstelling nog steeds een analoge beschikbaar stelling kent.
De verwijzing in kennisgevingen voor beschikbaarstelling dient te verwijzen naar de locatie waar het desbetreffende plan of besluit kan worden gedownload. Hieronder een voorbeeld :
Binnen de genoemde termijn is het ontwerp bestemmingsplan “Durperdam 2009” beschikbaar gesteld op www.durperdam.nl/brondata/BP/NL.IMRO.9999.BP0001-ON01
Het ontwerp bestemmingsplan “Durperdam 2009” is verbeeld op www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/?planidn=NL.IMRO.9999.BP0001-ON01 en op de gemeentelijke website www.durperdam.nl/RO/bestemmingsplan-durperdam2009.html
Tevens kan het ontwerp bestemmingsplan worden ingezien (digitaal en op papier), tijdens openingstijden (dagelijks van 9.00 uur tot 16.00 uur), in het gemeentekantoor, bij de balie “Ruimtelijke ordening”, Durpplein 1 te Durperdam.
Vanaf 1 juli 2012 màg u de RO Standaarden 2012 gebruiken. Voor die tijd mag een ruimtelijke plan conform de RO Standaarden 2012 nog niet beschikbaar gesteld worden aan ieder via een bij de index bekende weblocatie. Vanaf 1 juli 2013 mòet u de RO Standaarden 2012 gebruiken. Ook plannen die op 1 juli 2013 al in procedure zijn, moeten voldoen aan de RO Standaarden 2012. In het overgangsjaar kiest u het moment wanneer u overstapt van 2008 naar 2012.
De voorgestelde wijziging het wijzigingsvoorstel voor de RO Standaarden is niet doorgevoerd in de SVBP2012. Dit omdat is besloten het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aan te laten sluiten op de SVBP in plaats van andersom.
In artikel 3.2.4 Bro wordt "anti-dubbeltelbepaling" vervangen door "anti-dubbeltelregel" en wordt "Anti-dubbeltelbepaling" vervangen door "Anti-dubbeltelregel". De wijziging van het Bro zal naar verwachting per 1 juli 2012 inwerking treden.
Gerechtelijke uitspraken op een plan worden niet verwerkt in het plan, maar als apart gebiedsgericht besluit door de bronhouder van het ruimtelijke instrument, beschikbaar gesteld.
De typeTekst bij een gerechtelijke uitspraak is het besluitdocument. Het besluitdocument wordt gekoppeld aan het object Besluitgebied_X. De gerechtelijke uitspraak is een document waarin het besluit en onderbouwing, motivering met betrekking tot deze uitspraak(dictum) is opgenomen.
Met behulp van het attribuut verwijzingNaarExternPlanInfo kan de relatie met het bijbehorende plan worden gelegd. Bij een gerechtelijk uitspraak worden minimaal 2 verwijzingen opgenomen:
- Verwijzing naar het ruimtelijk plan of besluit waar de uitspraak betrekking op heeft
- Verwijzing naar de uitspraak zelf
Voor meer informatie raadpleeg paragraaf 5.2.1 van de Praktijkrichtlijn Gebiedgerichte Besluiten (PRGB2012) onder het dossier RO Standaarden op deze website.
In de RO Standaarden 2012 is een onderscheid aangebracht tussen de status van het ruimtelijke instrument zelf en de status van het dossier (procedure) waar het plan binnen valt.
Ieder instrument kent een eigen (statische) planstatus. De status van het instrument is vastgelegd in de IMRO GML en het geleideformulier. De status van het dossier is dynamisch: deze volgt de procedure en wordt vastgelegd en door de bronhouder beschikbaar gesteld in het Manifest.
In paragraaf 5.6 en 5.7 van de Praktijkrichtlijn Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (PRTRI2012) is een uitgebreide beschrijvingen opgenomen van de toe te passen planstatussen en de dossierstatussen. Ook staat hier beschreven wanneer een bepaalde status moet worden toegekend.
Deze kan er mogelijk wel komen. Geonovum of het ministerie van IenM zullen deze converter niet gaan maken en/of beschikbaar stellen zoals gedaan is met de IMRO2003-IMRO2006 converter. Dit wordt aan de markt/ softwareleveranciers overgelaten.
De bonhouder heeft vanaf 1 juli 2012 òf een 2008 manifest òf een 2012 manifest. Het 2012 manifest bevat zowel 2008 als 2012 plannen, visies en besluiten. Iedere bronhouder heeft dus één actueel (wettelijke) manifest beschikbaar op een via het internet toegankelijk webadres. Vanaf 1 juli 2013 beschikken alle bronhouders over een 2012 manifest.
Overigens kan er naast het STRI2012 manifest ook nog een STRI2006 manifest beschikbaar worden gesteld door de bronhouder, omwille van het beschikbaar stellen van IMRO2006 en plancontour & pdf plannen.
De RO Standaarden 2008, versie 1.1 zijn de nu geldende standaarden. Dit verandert in de loop van 2012. Vanaf 1 juli 2012 mag u de nieuwe RO Standaarden 2012 toepassen. Vanaf 1 juli 2013 bent u verplicht deze RO Standaarden 2012 toe te passen. Bronhouders kiezen in deze periode welke RO Standaarden toe te passen bij het in procedure brengen of houden van ruimtelijke besluiten.
Het overschakelen van RO Standaarden 2008 naar RO Standaarden 2012 tijdens de planprocedure in de periode 1 juli 2012 tot 1 juli 2013 is eveneens toegestaan. Het louter overschakelen van de RO Standaarden 2008 naar de RO Standaarden 2012 geldt niet als een gewijzigde vaststelling.
Vanaf 1 juli 2013 beschikken alle bronhouders over een 2012 manifest.
In een 2012 manifest komen 2008 en 2012 plannen. Dit zijn alle 2008 plannen zoals de bronhouders deze beschikbaar heeft gesteld. Plannen met de planstatus onherroepelijk kunnen ongewijzigd in een 2012 manifest worden opgevoerd. De planinformatie in het 2012 manifest is echter veel beknopter dan in het 2008 manifest.
In het 2012 manifest zijn plannen verdeeld in dossiers. Per dossier is van het betreffende plan alleen id, naam, datum en geleideformulier opgenomen. Voor ieder plan wordt dus verwezen naar het geleideformulier waarin staat waar het volledige plan met alle info (inclusief planstatus) kan worden gevonden.
Veelgestelde vragen over RO-Online vindt u op http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/docs/faq/faqRoOnline.wiki.
Het ruimtelijk plan dient beschikbaar te worden gesteld op de in de landelijke index aangegeven locatie. Als er nieuwe plannen beschikbaar zijn gesteld haalt RO-Online deze op. Welke stukken beschikbaar moeten worden gesteld is aangegeven in de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI20028), hoofdstuk 2. Voor het bestemmingsplan geldt dat inderdaad de onderliggen documenten ook beschikbaar moeten worden gesteld. Dit wordt gedaan als bijlage van de planregels en als bijlage van de plantoelichting. De naamconventie van de bestanden is te lezen in tabel 1 in hoofdstuk 2 van STRI.
De bijlagen worden in het bestemmingsplan gekoppeld aan het bestemmingsplangebied, zie ook de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen (PRBP2008), paragraaf 3.2.
Voor het maken van een structuurvisie kunt u gebruik maken van de praktijkrichtlijn voor structuurvisies. Voor zowel gemeentelijke, provinciale als rijk structuurvisies kunt u de praktijkrichtlijnen downloaden van onze website.
Om een digitaal plan conform de praktijkrichtlijn te kunnen maken heeft u inderdaad software nodig. Op onze website staat een overzicht van leveranciers en hun producten. Wij adviseren niet welke software u goed kunt gebruiken, wel wordt getoond welke software er beschikbaar is.
Leveranciers van RO software kunnen een conformiteitstoets bij Geonovum aanvragen. Een onafhankelijke toetsingsorganisatie voert de toets uit.
Certificaten worden uitgegeven per onderdeel onderdeel waarvoor een applicatie functionaliteit aanbiedt: per plantype en per maak- en/of publiceerfunctionaliteit. Geonovum publiceert de certificaten op haar site. Het toetsen is een terugkerend proces: afhankelijk van ontwikkeling van de RO Standaarden en ontwikkeling van de applicatie.
Lees meer over software en certificering.
Op de website van de RO Standaarden vindt u een overzicht van softwareleveranciers op het gebied van ruimtelijke ordening.
De conformiteitstoets controleert of in de software correct gebruik wordt gemaakt van IMRO2008 en STRI2008. De toets is gericht op het correct opbouwen en uitwisselen van de digitale ruimtelijke plannen. De digitale en analoge verbeelding valt buiten de scope van de toets. De wijze waarop data wordt geïmporteerd en weergegeven controleert de toets niet. Wel zijn er afspraken in de RO Standaarden opgenomen voor de verbeelding van digitale bestemmingsplannen; de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). Op onze website kunt u meer lezen over de reikwijdte van de toets.
De bijlagen van SVBP2008 hebben we niet in AutoCAD formaat beschikbaar, alleen in pdf zoals u kunt downloaden vanaf onze website.
De softwareleveranciers hebben in hun CAD omgevingen de implementatie van de SVBP uitgevoerd. Zij leveren dit mee met hun software. Voor meer informatie welke softwareleveranciers RO applicaties, klik hier.
PDF versie 1.5 volstaat. In STRI2008, tabel 4, is aangegeven dat voor het toegestane formaat van pdf versie 1.4 of hoger is. Wanneer het betreft PDF/A-1 dan is dit conform ISO 19005-1:2005.
U vindt de Validator via:
Wanneer in een bestemmingsplan bij maatschappelijk de regels in artikel 3 staan, maar de verwijzing is gegeven naar artikel 10 is dit een controle die de Validator niet uitvoert.
Het primaire doel van de Validator is het waarborgen van de daadwerkelijke uitwisselbaarheid van plannen tussen bronhouders en afnemers. Dit betekent dat vooral op technische aspecten wordt getoetst die direct of indirect uit de RO Standaarden zijn af te leiden. Dit is natuurlijk heel belangrijk, maar niet genoeg om 'goede' (digitale) RO te bedrijven. Er blijven altijd inhoudelijke controles door inhoudelijk deskundigen nodig en bovendien valt niet alles geautomatiseerd te controleren.
De Validator controleert of de velden zijn ingevuld (conform de RO Standaarden), maar controleert niet de inhoud van het veld. Ook niet in combinatie met de regels. Het verdient zeker de aanbeveling alle vlakken en verwijzingen te controleren. Wellicht kun u uw eigen RO-software ook gebruik voor dit soort controles.
Wat betreft de mogelijke juridische consequenties: er is nog geen jurisprudentie, dus er valt niet met zekerheid te zeggen hoe de rechter zal oordelen over dit soort fouten. Een klagende belanghebbende zou kunnen betogen dat belangen zijn geschaad door deze fout, maar uiteindelijk zal de rechter ook uitgaan van proportionaliteit, relevantie etc. Wel zal de bewijslast dan bij de gemeente liggen om aan te tonen dat dit geen bewuste fout is. Overigens is enige relativering op zijn plek: dit soort situaties zijn in de digitale praktijk niet wezenlijk anders dan in de huidige papieren praktijk: ook hier komen fouten en foutjes voor die niet direct ernstige gevolgen hoeven te hebben.
Wanneer de Validator de volgende melding geeft:
Fout Foutcode AD5A: imro:verwijzingNaarTekst (huidige waarde "r_NL.IMRO. NL.IMRO.0999.BP2008000001-0005_2.8.html") is een bestandsnaam die niet voldoet aan de bestandsnaamconventies van IMRO2008 en STRI2008. De planId (NL.IMRO.0999.BP20081000001-0005) volgt niet onmiddellijk na de prefix. Binnen het element NL.IMRO.00999.DP1150814553-00.
Het volgende is er aan de hand:
Kijk in de GML, het betreft element NL.IMRO. 00999.DP1150814553-00 (een dubbelbestemming) met de naam .. De bestemmingsregels zijn gekoppeld aan deze dubbelbestemming: r_NL.IMRO. NL.IMRO.0999.BP2008000001-0005_2.8.html.
Blijkbaar voldoet de naam niet aan de bestandsnaamconventie; het komt namelijk niet overeen met de idn van het plan: NL.IMRO.0999.BP20081000001-0005. Zet de 2 idn’s onder elkaar dan is zichtbaar waar het probleem zit:
- NL.IMRO.0999.BP2008000001-0005_2.8.html
- NL.IMRO.0999.BP20081000001-0005
In de bestandsnaam van de regels ontbreekt de 1.
Wilt u weten wat andere fouten betekenen, raadpleeg dan de werkinstructie. Krijgt u foutmeldingen van www.ruimtelijkeplannen.nl, mogelijk is uw vraag al eerder gesteld of neem contact op met de helpdesk RO-Online: ro-online@kadaster.nl.
De Validator controleert niet of een plan 100% is gevuld met (enkel)bestemmingen. Het dekkend zijn van het plangebied wordt inderdaad aangegeven in de PRBP, maar is niet als geometrische controle in de validatieregels van de Validator opgenomen.
