- Home
- Actueel
- Geo-standaarden
- Dossiers
- Diensten
- Geonovum
Veelgestelde vragen - Bestemmingsplannen verbeelding en regels
Indien een bestemming niet onder een hoofdgroep van enkelbestemmingen is te scharen, wordt gebruik gemaakt van de hoofdgroep ‘Overig’. In dat geval is de naam van de bestemming de naam van de te bestemmen functie. In de naam van de bestemming neemt u Overig niet op, ook niet in de regels. ´Overig´ koppelt u als een van de attributen bij het object bestemming(bestemmingshoofdgroep).
De analoge en digitale verbeelding van de bestemmingsplannen dienen te voldoen aan de eisen die gesteld zijn in de RO Standaarden, onderdeel Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2008).
Specificatie van een bestemming kan plaatsvinden door achter de naam van de hoofdgroep een specifieke bestemmingsbenaming te zetten. Hierdoor ontstaat een aparte bestemming met eigen regels. Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt, wanneer zich binnen dezelfde hoofdgroep functies voordoen die qua ruimtelijke kenmerken en effecten, ook wel situeringskenmerken genoemd, grote verschillen vertonen.
Gebruik voor de specificatie van de bestemming een lettercombinatie die nog niet gekoppeld is aan een andere bestemming of aanduiding in de SVBP. De letters WR kunnen niet gebruikt worden omdat deze gekoppeld zijn aan de dubbelbestemming hoofdgroep ‘Waarde’.
Voorbeeld: Agrarisch - Akkerbouw (A-AK)
De gebiedsaanduidinggroepen zijn limitatief, maar de functies onder de groepen niet. Dit is dezelfde systematiek die wordt gebruikt bij de (dubbel)bestemmingen.
Een geluidzone voor luchtvaartverkeer kan als volgt opgenomen in een plan;
- gebiedsaanduidingnaam: geluidzone – luchtvaart
- gebiedsaanduidinggroep: geluidzone
Bij de anloge verbeelding wordt voor deze gebiedsaanduiding gebruik gemaakt van bijbehorende originele gebiedsaanduiding ´geluidzone´. Zie voor de verbeelding bijlage 5 van de SVBP2008, de eerste weergave (met verticale strepen). Als er meerdere van deze geluidzones zijn, kan onderscheid worden gemaakt door cursief weergegeven cijfers. Dit nummer is dan wel opgenomen in het attribuut label dat hoort bij deze gebiedsaanduiding.
Het is mogelijk een bestemming zoals Woongebied op te nemen zonder een bouwvlak of andere aanduidingen binnen deze bestemming. Het is wel verstandig in de bijhorende regels dit te verklaren. Indien er meerdere bestemmingen Woongebied in het bestemmingsplan zijn, kan er nog gespecificeerd worden door middel van nummering
- Woongebied 1
- Woongebied 2
De RO Standaarden verplichten niet tot het opnemen van bouwvlakken of andere aanduidingen als deze op die locatie niet van toepassing zijn. Maar als er bijvoorbeeld wel een lpg-zone is, moet deze natuurlijk wel opgenomen worden.
In de legenda van de analoge verbeelding volstaat met de omschrijving “plangebied”. In het hoekstempel staat de volledige naam van het plan.
Zet de bestemmingen en dubbelbestemmingen als 1 lijst direct onder elkaar zoals op pagina 4 van de SVBP wordt aangegeven. De lijst van (dubbel)bestemmingen is aangeven met een kopje “bestemmingen”. De lijst wordt afgesloten en gevolgd door een nieuw kopje; “aanduidingen” indien er natuurlijk aanduidingen zijn.
Als een gemeente goede ruimtelijke redenen heeft, kan en mag de gemeente een aanvullende regeling treffen. Dit kan in een aanvullende wijze van ‘meten bepaling’ of in de bouwregels. Het werken met specifieke bouwaanduidingen is ook mogelijk. Met een specifieke regeling kunnen ongewenste situaties worden voorkomen.
In de Praktijkrichtlijn voor Bestemmingsplannen (PRBP2008) staat het volgende over meerdere functieaanduidingen;
- "Het kan ook voorkomen dat meerdere, verschillende functieaanduidingen binnen één bestemming noodzakelijk zijn omdat de regels (voorheen voorschriften genoemd) dat vereisen. In dat geval komt het object Functieaanduiding meerdere keren voor".
- Bijvoorbeeld: een overlappende functie ‘parkeren onder maaiveld’ en ‘functie evenementen boven maaiveld’.
Het is dan ook mogelijk dat functieaanduidingen zoals geschetste voorbeeld elkaar overlappen, maar elkaar niet volledig dekken. Een functieaanduiding kan samenvallen met een bestemmingsvlak, maar ook gedeelten daarvan omvatten. Een functieaanduiding verwijst (attribuut) naar bestemmingsvlak of gebiedsaanduiding, maar kan niet verwijzen naar een andere functieaanduiding.
In paragraaf 1.7 van de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen (SVB2008)is aangegeven welke zaken in ieder geval op de analoge plankaart moeten worden geplaatst. Het idn van het plan (plannummer) staat hier niet bij. Echter het is wel belangrijk dat alle relevante bestemmingsplaninformatie aanwezig is op de analoge verbeelding. De voorkeur gaat er dan ook naar uit, om het idn van het plan terug te laten komen op de analoge verbeelding (hoekstempel). Aan de verbeelding is op deze wijze via het idn ook de status en versie van het plan te herleiden.
Een bouwaanduiding hoeft geen onderdeel te zijn van een bouwvlak. Een bouwaanduiding kan ook relatie hebben met een bestemmingsvlak zonder dat daar een bouwvlak ‘tussen’ ligt.
Dit geldt ook voor een maatvoering en voor een figuur.
Het is mogelijke een beschermd stadsgezicht als een dubbelbestemming op te nemen.
Indien wordt gekozen voor een dubbelbestemming, dan is dit een Waarde. Er kan gespecificeerd worden met een functie zoals deze al is opgenomen in de SVBP; Cultuurhistorie. Of de functie Beschermd stadsgezicht:
- Waarde - Cultuurhistorie
Waarde - Beschermd stadsgezicht
Beide is mogelijk volgens de SVBP2008 (zie hoofdstuk 3).
Er wordt voor een gebiedsaanduiding gekozen wanneer het gaat om gebieden/ zones die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. In de SVBP2008 is een limitatieve lijst van groepen van gebiedsaanduidingen opgenomen, met een ongelimiteerde functielijst. Indien u kiest voor een beschermd stadsgezicht als een gebiedsaanduiding dan kan dit via de gebiedsaanduidinggroep 'overig'. De naam van de aanduiding wordt:
- beschermd stadsgezicht
Voor de groep 'overig' is de keuze van het type arcering voor de analoge verbeelding vrij, de arcering dient wel in de bijbehorende grijze kleur te worden verbeeld. Voor de digitale verbeelding geldt een grijs gevuld vlak. Zie voor beide presentaties en kleurcodes de SVBP2008, bijlage 5.
Hoogspanning is ondergronds en hoogspanningsverbinding bovengronds.
De begripsbepalingen en wijze van meten moeten integraal overgenomen worden uit de SVBP2008. Men mag deze bepalingen e.d. wel aanvullen voor zover het de standaard bepalingen en wijze van meten niet weerspreekt.
Groepen van gebiedsaanduidingen zijn limitatief. De genoemde functies binnen de groepen zijn niet gelimiteerd. Dit is veranderd in versie 1.1 van de RO Standaarden 2008. In de eerste versie van de standaarden waren de regels anders. Raadpleeg Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP2008) onder het dossier RO Standaarden op deze site.
Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het mogelijk om bij een bestemmingsplan te bepalen dat voor een in het bestemmingsplan bepaalde termijn het verlenen van een omgevingsvergunning is uitgesloten. Dit kan op het niveau van de bestemming bepaald worden in de regels, maar gekoppeld worden aan een bepaald gebied.
Deze tijdelijke uitsluitingbevoegdheid bestond al in de Wro, artikel 3.22 lid 2 en was in de WRO bekend onder artikel 17. Onder de Wro kon een ontheffing voor een bestemmingsplan worden toegepast maar om een bepaalde reden voor een gebied binnen dat plan niet. Nu met de Wabo betekent dat dat er tijdelijk geen omgevingsvergunning kan worden toegepast.
Er is in de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) geen specifieke aanduiding voor benoemd. Bij het opstellen van de SVBP is men ervan uit gegaan dat een dergelijke bepaling in de regels wordt opgenomen. Het is niet nodig dit via de verbeelding direct te laten zien, maar natuurlijk wel mogelijk als de planmaker/ bronhouder dat wil. Het is mogelijk dit onder de gebiedsaanduiding wro-zone te laten vallen zonder hier een expliciet nieuwe naam aan de gebiedsaanduiding toe te voegen. Zie ook: de Wabo en Wro; wat verandert er?
Een rooilijn kan door middel van de figuur 'gevellijn' worden opgenomen. De aanduidingregels die men tot nu toe gewend was aan 'rooilijn' toe te voegen, worden nu toegevoegd aan ' gevellijn'. De bronhouder geeft zelf de betekenis van de bestemmingen en aanduidingen in de regels. In de SVBP is de 'gevellijn' in de lijst van figuren, bijlage 10 opgenomen.
Rijksmonumenten worden vaak niet in het bestemmingsplan geregeld, omdat de Monumentenwet daarop van toepassing is. Karakteristieke bebouwing, provinciale monumenten en gemeentelijke monumenten worden vaker in het bestemmingsplan opgenomen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ volgens de SVBP. Aan deze aanduiding kunnen bouw- en gebruiksregels worden gekoppeld.
Bij het maken van een functieaanduiding met de naam ‘specifieke vorm van ..’ is van belang waar de functie een specifieke vorm van is. De specificatie is gebonden aan de functie waar het een verbijzondering van is. Dat de aanduiding gebruikt wordt binnen een andere bestemming dan waar de aanduiding een ‘specifieke vorm van..’ is, is prima. Voorbeelden:
- Binnen de bestemming agrarisch wil je verkoop van ijs toestaan. Het wordt dan niet een ‘specifieke vorm van agrarisch..’ maar ‘specifieke vorm van horeca ..’ omdat het ijsverkooppunt een functie van horeca is en niet agrarisch.
- Binnen wonen wil je een schoonheidssalon toestaan. Dit wordt dan ‘specifieke vorm van detailhandel ..’ omdat een schoonheidssalon geen woonfunctie is.
In de SVBP is in bijlage 12 Wijze van meten de volgende definitie voor 'inhoud van een bouwwerk' opgenomen: "tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen". Wat de onderzijde van begane grondvloer is, wordt niet voorgeschreven in de SVBP.
De onderzijde begane grondvloer vindt zijn oorsprong in de NEN2580. Bij onduidelijkheden of interpretatieverschillen is de uitleg van de NEN2580 altijd bepalend geweest. Hierin wordt ook bepaald dat de vloerconstructie onder peil mee wordt gerekend. Wat betreft de precieze informatie hierover dient de nennorm er op nageslagen te worden.
Een maatvoering kan inderdaad horen bij een gebiedsaanduiding. Dit is weergegeven in de PRBP2008, pagina 22 in het relatiediagram.
Enkelbestemmingen worden niet gestapeld maar sluiten op elkaar aan. Er zijn echter wel situaties waarin enkelbestemmingen gestapeld voorkomen, zoals: een viaduct met bestemming verkeer waar onder zich een supermarkt bevind.
Een goede oplossing in dit geval is de weg de bestemming Verkeer te geven en op dat gedeelte van de bestemming waar het viaduct is en de supermarkt er onder is gevestigd een functieaanduiding detailhandel op te nemen. In de bestemmingsregels van Verkeer geeft u nadere uitleg wat detailhandel ‘onder’ verkeer doet.
Daarnaast kan waar 2 gelijkwaardige functies op een zelfde locatie plaats vinden altijd gekozen worden voor de bestemming Gemengd. Dit is toegelicht in bijlage 1 van de SVBP.
Het gebruik van leidingen als dubbelbestemming in combinatie met een figuur is goed. Het is niet verplicht functieaanduidingen te gebruiken en daarmee te letten op de werkafspraak leidingsoorten. Alleen wanneer de bronhouder gebruik zou willen maken van de functieaanduiding voor leiding, dan adviseren wij gebruik te maken van de werkafspraak.
In plaats van gebruik te maken van een functieaanduiding is het voor de vergelijkbaarheid aan te raden gebruik te maken van een bouwaanduiding. Het gaat namelijk meer om het voorkomen van de mast dan de functie van de mast zelf. Gebruik of ‘antennemast’ of ‘specifieke bouwaanduiding- reclamemast’ en beschrijf in de regels de toepassing.
Een hoogtescheidingslijn is conform de SVBP niet mogelijk. Wel is mogelijk deze verschillende bouwhoogten binnen 1 bestemming aan te geven met behulp van maatvoeringen. Doe dit bijvoorbeeld door een binnen de bestemming een bouwvlak op te nemen dat alle mogelijke bebouwing ‘omvat’. Om de bouwhoogte op te nemen wordt de maatvoering maximale bouwhoogte toegepast. Dit kunnen twee vlakken naast elkaar zijn, binnen het bouwvlak, en ook beide gekoppeld aan het bouwvlak. Verschil is dat de ene maatvoering bv 6m de andere 9m als maximale bouwhoogte.
Er moet altijd worden gemeten vanuit het hart van de lijn. Als vanaf de zijkant wordt gemeten zou er een stukje niemandsland kunnen ontstaan ter dikte van de lijn.
Conform de RO Standaarden is het niet verplicht binnen een bestemming een bouwvlak op te nemen. Geheel naar inzicht en de situatie kan de planmaker en/ of de bronhouder wel/ niet er voor kiezen een bouwvlak aan de bestemming toe te voegen.
Iedere gebiedsaanduiding is uniek en bestaat uit een eigen vlak met eigen informatie daarmee ook uniek identificatienummer. Alleen op deze manier kunnen de objecten geselecteerd worden bij het raadplegen en is dan duidelijk waar het object ligt en de begrenzing van het object loopt.
