Veelgestelde vragen - Bestemmingsplannen digitaal

Het plannummer, ofwel de identificatiecode, van het object Bestemmingsplangebied heeft de volgende opbouw: NL.IMRO.xxxx.yyyyyyyyyyyyyyyyyy-zzzz

  • Waarbij NL de landencode van Nederland is, gevolgd door een punt (.)
  • Waarbij IMRO altijd volgt, dit is de aanduiding van de namespace waarin het object voorkomt, gevolgd door een punt (.)
  • Waarbij Bronhouder (de xxxx in bovenstaand opbouw) de aanduiding van het CBS-nummer van de bronhouder van de dataset is, in uw geval van de gemeente Koggenland, gevolgd door een punt (.).
  • Waarbij de Naamcode (de yyyyyyyyyyyyyyyyyy in bovenstaand opbouw)de door de bronhouder te bepalen naam van maximaal 18 alfanumerieke karakters is, gevolgd door een streepje (-). De naamcode is uniek binnen de context van de RO instrumenten van de bronhouder.
  • Waarbij Versiecode (de zzzz in bovenstaand opbouw) de door de bronhouder te bepalen versie van het instrument (bestemmingsplan)is in de vorm van vier alfanumerieke karakters. Dit zijn altijd 4 karakters, indien nodig met gebruik van voorloopnullen. De versiecode is uniek voor alle versies die extern gepubliceerd zijn conform de STRI2008. De versiecode wordt altijd opgehoogd indien er sprake is van een nieuw planstadium, bijvoorbeeld van voorontwerp naar vastgesteld, maar ook als er binnen één planstadium meerdere versies extern worden gepubliceerd.

In de naamcode van de identificatie wordt de naam van het plan ingevuld door alfanumerieke karakters, cijfers en letters. De bronhouder beslist of dit alleen cijfers, alleen letters of een combinatie van cijfers en letters is. Er wordt geen gebruik gemaakt van een punt (.) of bijvoorbeeld een liggend streepje(_).
 

Het gebruik van de versiecode is verplicht. Hoe de versiecode wordt gebruikt en wanneer deze wordt opgehoogd: 

  • Altijd opgehoogd indien er sprake is van een nieuw planstadium, bijvoorbeeld van voorontwerp naar vastgesteld;
  • Ook altijd als er binnen één planstadium meerdere versies extern worden gepubliceerd;
  • Maar ook zo vaak de bronhouder dat wil, bijvoorbeeld bij interne versies.

De bronhouder heeft daarmee enige invloed op de versiecode en daarmee de identificatie. Wellicht hebben ze dit ook in een handboek bepaald. De opbouw van zzzz kan op deze wijze verschillend worden gehanteerd door de verschillende bronhouders. Dit is de ruimte die wordt aangegeven met ‘de bronhouder bepaalt’. 

Lees hier verder voor de opbouw van identificatiecode van het object Bestemmingsplangebied.

In de identificatie van het plan (plannummer) neemt u geen CBS-buurt/wijkcode op. Met de DURP standaarden 2006 was het wel standaard waar mogelijk een CBS-buurt/wijkcode mee te geven in de identificatie. Het is de bronhouder nu vrij om eventueel in de naamcode wel een CBS-buurt/wijkcode te gebruiken.

Lees hier verder voor de opbouw van identificatiecode van het object Bestemmingsplangebied.

Bij het bestemmingsplangebied kan maximaal 1 verwijzing naar de ‘bijlage bij toelichting’ opgenomen worden, deze verplichting is te lezen in de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen (PRBP). Er mag ook maximaal 1 verwijzing naar ‘bijlage bij regels’ opgenomen worden bij het bestemmingsplangebied.

Dit is gedaan om een lange lijst van individuele verwijzingen te voorkomen. In de praktijk kan de toelichting echter van meerdere bijlagen zijn voorzien. Er zijn twee mogelijkheden om dit op te lossen.

  • Alle bijlagen bundelen tot 1 document;
  • Maak gebruik van een index of inhoudsopgave in de bijlage, die verwijst naar verschillende documenten. In dit geval kan de bijlage gesplitst worden in zoveel documenten als nodig is. Als maar 1 document met index of inhoudsopgave gekoppeld is aan het bestemmingsplangebied als ‘bijlage bij toelichting’. Bijvoorbeeld: ‘ tb_NL.IMRO.0999.BP2008000001-0005_inhoud.htm’.

De laatste oplossing is ook toegepast in het voorbeeld bestemmingsplan op de Geonovum RO Standaarden website: NL.IMRO.0999.BP2008000001-0005.

In het vaststellingsbesluit wordt het digitale plan vastgesteld. De naam van het plan kan zeker worden opgenomen, maar de daadwerkelijke identificatie van het plan is het plannummer (planIDN). Het plannummer staat centraal, op basis daarvan kan het plan geïdentificeerd worden. Dit plannummer moet worden opgenomen in het vaststellingsbesluit. De naam van de analoge verbeelding wordt niet in het vaststellingsbesluit opgenomen. Op de plot van het plan neemt u het plannummer wel op. Dit kan naast de naam van het plan.
 

De ondergrond van het bestemmingsplan is een uitsnede voor dat plan; het gaat om dat plan en niet om de rest van de gemeente. De gebruikte ondergrond wordt apart als zodanig bij het plan opgeslagen, bij voorkeur met hetzelfde IDN als het bestemmingsplan. Digitaal is dit een los bestand naast het plan, dat wel samen met de rest van de plangegevens gearchiveerd wordt. Zet op de analoge bestemmingsplankaart ook diezelfde IDN van de ondergrond.  

Voor meer informatie rondom het archiveren van digitale ruimtelijke plannen, klik hier.
 

Nee. De statussen ontwerp en vastgesteld zijn de in bestemmingsplanprocedure in de Wro geregeld. De status geconsolideerde versie niet. Het is met de RO Standaarden wel mogelijk deze status aan een bestemmingsplan te geven. Hiermee wordt dan de meest actuele en complete versie van het bestemmingsplan beschikbaar gesteld. In de PRBP is hier paragraaf 4.6 aan gewijd.
 

Bestemmingsplannen die na 1 januari 2010 in procedure zijn gegaan moeten aan de RO Standaarden voldoen, dus ook SVBP. Deze verplichting komt voort uit uit de Ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening.

Er is vanuit met name de Wro, maar ook de RO Standaarden geen procedure voorgeschreven hoe het digitale plan behandeld moet worden vanaf de status vastgesteld. Hieronder zijn de mogelijkheden aangegeven.

Anders dan in de oude WRO is er geen wettelijke verplichting om een plan dat onherroepelijk geworden is, of deels vernietigd in deze vorm ter beschikking te stellen. Strikt genomen volstaat het dus om een vastgesteld plan op de wijze zoals voorgeschreven in de RO Standaarden te beschikbaar te stellen en publiceren.

Echter, het is vanuit oogpunt van dienstverlening en rechtszekerheid voor gebruikers van plannen onbevredigend deze wijzigingen niet (in digitale vorm) kenbaar te maken. Een gebruiker van ruimtelijkeplannen.nl (RO-Online) die afgaat op een daar aanwezig vastgesteld plan heeft er geen weet van dat er mogelijk gerechtelijke uitspraken zijn die op het plan betrekking kunnen hebben en wat daar de inhoud van is. Uiteindelijk is dit een ongewenste situatie.

Bij het publiceren van een plan met een status met onherroepelijk (of andere na ‘vastgesteld’) moet het plan idn zijn aangepast (verhoogd) ten opzichte van het plan met de status vastgesteld. Zowel de GML moet met status zijn aangepast, als alle planbestanden met de nieuwe (versie) bestandsnaam. Alleen noodzakelijke wijzigingen moeten in de bestanden (tekst, het plan) worden doorgevoerd, zoals het deel dat vernietigd is. Dit deel wordt aangepast. Neem in de tekst een verwijzing naar de uitspraak op: het LJN nummer (dit is het nummer waaronder de uitspraak op rechtspraak.nl is opgenomen) en een deeplink (directe hyperlink) naar betreffende uitspraak op www.rechtspraak.nl.

Neem daarnaast in het attribuut ‘VerwijzingNaarExternPlanInfo’ van het plangebied informatie over het besluit op.  Vul hierbij in:

  • naamExternPlan: titel uitspraak;
  • idnExternPlan: LJN nummer (dit is het nummer waaronder de uitspraak op rechtspraak.nl is opgenomen);
  • rolExternPlan: ten gevolge van extern plan/besluit.

Door de opname van tekstuele informatie bij 'VerwijzingNaarExternPlan' is op planniveau al zichtbaar (op ruimtelijkeplannen.nl) dat er sprake is van een relevante gerechtelijke uitspraak.

bron: www.geonovum.nl - 14-06-2009
Geonovum - Barchman Wuytierslaan 10 - info@geonovum.nl
033 460 41 00 - Postbus 508 - 3800 AM Amersfoort