Ervoor zorgen dat geo-standaarden voor iedereen zijn

graafwerk
27 februari 2018

Iedere dag werken overheid en uitvoeringsorganisaties aan het vastleggen, beheren en beschikbaar stellen van geo-informatie volgens standaarden. Wie zijn de eindgebruikers van deze data? En wat doen zij er allemaal mee? Zijn standaarden belangrijk voor hen, of staan ze ontwikkelingen in de weg? In een serie vraaggesprekken gaan wij op zoek naar de gebruikers van geografische data en proberen wij een beeld te krijgen van hun ervaringen en wensen. Deze keer is de beurt aan Egbert van Milgen, GIS-adviseur bij milieu-expertisebureau Geofoxx.

Geo-informatie is ‘key’ bij Geofoxx. Zozeer zelfs dat het recent benoemd is als een van de focusgebieden in het dienstenaanbod van het adviesbureau. Als milieu-experts zijn Egbert van Milgen en zijn collega’s dan ook bij uitstek eindgebruikers van geo-data en de bestaande geo-standaarden. Toch heeft hij soms het gevoel dat hij en zijn vakgenoten te ver afstaan van alle ontwikkelingen die op komst zijn. Wat gaat de Omgevingswet voor gevolgen hebben? En de Basisregistratie Ondergrond (BRO)? Wat zijn de tools die in dit verband in ontwikkeling zijn? Wordt er wel voldoende vanuit de eindgebruikers gedacht? En wie bepaalt uiteindelijk hoe nieuwe geo-standaarden in de praktijk gaan werken? Is dat Geonovum, of zijn het toch de grote softwareleveranciers?

Steeds meer geo-data

“Bodem, water en ruimtelijke vraagstukken zijn van oudsher de hoofdthema’s waar wij ons op richten”, vertelt Van Milgen. “Maar sinds kort is het thema ‘GIS-data’ als zelfstandig focusgebied toegevoegd in ons dienstenaanbod. Dat komt omdat werkelijk alles wat wij doen met ruimtelijke informatie heeft te maken. Of het nu gaat om bodemonderzoek, saneringen, bestemmingsplannen of historisch onderzoek, de geografische component staat centraal en helpt om onze data te structureren. Net zoals waarschijnlijk veel andere milieubureaus zijn wij aan het kijken hoe wij onze diensten op dit gebied steeds beter kunnen aansluiten op de nieuwste ontwikkelingen.”

Bijna real time

Welke ontwikkelingen dat zijn? Een belangrijk verschil met nog niet zo heel lang geleden is dat er steeds meer mogelijkheden zijn om gedetailleerd en bijna real time geo-data op te slaan. Van Milgen: “Als we vroeger een bodemonderzoek hadden uitgevoerd, dan werd er een rapport opgesteld, de onderzoekslocatie werd aangegeven, de resultaten opgesomd, een tekening erbij, en dat document ging naar de aanvrager om uiteindelijk ergens te worden opgeborgen. Klaar. Maar iets wat we vroeger veilig vonden, kan op basis van nieuwe inzichten nu onveilig zijn. Als bodemadviseurs willen wij weten wat het effect is van wettelijke wijzigingen. Als een veiligheidsnorm verandert, zoals bijvoorbeeld het geval is geweest met toegestane loodconcentraties, dan kun je dat niet negeren. Omdat we tegenwoordig in ons interne systeem, per punt op de kaart, alle bodeminformatie en data opslaan die we hebben, kunnen we meteen terugzien waar de nieuwe waarden implicaties hebben. Zo kunnen we ook actief terugkoppelen aan onze klanten wat voor hen eventueel de gevolgen zijn van dit soort wijzigingen.”

Open én closed source

Als het gaat om geo-data maakt Geofoxx gebruik van diverse bronnen en systemen. “Zo veel mogelijk open source”, benadrukt Egbert van Milgen. “Het werkt vaak goed en de verdere ontwikkeling, daar dragen we graag aan bij. OpenStreetMap is bijvoorbeeld een voorziening die we graag gebruiken, net als QGIS en GRASS GIS. Dat neemt overigens niet weg dat we ook betaalde pakketten gebruiken. Bij het inzetten van PDOK-data bijvoorbeeld, maken we vaak gebruik van Esri-pakketten, omdat het rechtstreeks ophalen uit PDOK vaak wat omslachtig werkt. De hoeveelheid beschikbare data via PDOK is zó groot, dat het rechtstreeks toepassen van die data soms nog een flinke puzzel is voor, wat ik noem, ‘gewone’ gebruikers. Maar als andere partijen een praktische vertaling maken op basis van die data, dan maken we daar weer dankbaar gebruik van. Meervoudig gebruik van data is top. De bekende kaartvertalingen door Jan-Willem van Aalst zijn daar ook een mooi voorbeeld van.”

Goed nieuws

Met het toenemende gebruik van geo-data neemt ook het belang toe van geo-standaarden. “Dat is evident”, vindt Van Milgen. “Dankzij de BGT (Basisregistratie Grootschalige Topografie), BRT (Basisregistratie Topografie) en andere basisregistraties wordt het breed uitwisselen van data efficiënter en eenduidiger.” En dat is goed nieuws volgens hem. Net zoals het goed nieuws is dat er een Basisregistratie Ondergrond (BRO) komt en een Omgevingswet. Toch zijn het juist die twee grootscheepse initiatieven waarbij hij onwillekeurig ook even zijn wenkbrauwen fronst. “Wij proberen zo goed mogelijk op de hoogte te blijven van alle ontwikkelingen”, legt hij uit. “Ik ga veel naar informatiebijeenkomsten, maar eigenlijk is dat al de plek waar ik soms problemen zie ontstaan. Als ik naar een leveranciersbijeenkomst ga, dan ben ik een vreemde eend in de bijt. Maar als ik bij een bijeenkomst over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) voor beleidsmakers aanschuif, dan hoor ik daar wéér een andere taal. De ene groep is visionair bezig: welke veranderingen moet het DSO mogelijk maken? De andere groep is praktisch aan het nadenken over technische oplossingen: hoe moet ik mijn database inrichten? Dat is de fase waarin we nu zitten. Maar er komt onherroepelijk een volgende fase. De fase waarin de database is gevuld en de tooling klaar is. En dan? Wie moet de tooling gebruiken?” 

Wie zijn de eindgebruikers?

Egbert van Milgen verwijst hier indirect naar zichzelf. Milieu-adviesbureaus zoals Geofoxx worden vaak ingeschakeld om gemeenten te ontzorgen en moeten de standaarden en tools dus ook kunnen gebruiken. “Soms zijn wij nog meer gebruiker dan gemeenten zelf”, merkt hij op. De vraag is dan ook of er wel voldoende inspraak is vanuit de totale groep van eindgebruikers. “Wij zijn nu al bezig om onze klanten er concreet op voor te bereiden dat de Omgevingswet eraan komt”, licht Van Milgen toe. “Als het zover is, dan komt er namelijk heel veel op gemeenten af. De nieuwe informatievoorzieningen die worden geschetst, zijn prachtig. Maar de data moeten wel ergens vandaan komen en in veel gevallen zullen het de gemeenten zijn die dat soort data moeten gaan leveren. Wij willen ze ondersteunen door hun data op zo’n manier te organiseren dat ze er straks goed mee uit de voeten kunnen. Maar dan moeten wij natuurlijk wel weten hoe het allemaal zit!”

Goed gebruiken

Of het nu gaat om gemeenten, softwareleveranciers of de makers van de BRO en de Omgevingswet, iedereen heeft er belang bij dat de standaarden en tooling die worden ontwikkeld, ook goed gebruikt zullen worden. Egbert van Milgen: “Vandaar dat wij ons nu al moeten afvragen… Hoe zien die tools eruit? Wat zit erin? Hoe gaan gemeenten het inzetten? Hoe is de vertaling gerealiseerd van visie naar de echte tools? Is er voldoende nagedacht over het uiteindelijke gebruik? Of zitten we aan het einde van de rit met een tool waarvan we denken… hadden we het maar zus en zo ingestoken.”

Mechanismen

Bij de BRO-ontwikkeling wordt door Geonovum nadrukkelijk gezocht naar inbreng door experts uit het veld. Experts worden uitgenodigd om (tegen betaling) mee te denken over de te nemen stappen. “Dat is de enige juiste aanpak”, beaamt Van Milgen. Maar in de praktijk ziet hij nog veel andere mechanismen in werking. Als voorbeeld noemt hij de 3D-ontwikkelingen bij Rotterdam. “In het kader van de ontwikkelingen rond het DSO ben ik bij een bijeenkomst geweest waar de laatste ontwikkelingen in Rotterdam werden getoond. Rotterdam is bijzonder ver op dat gebied. Het inmeten van kabels en leidingen, het gebruik van luchtfoto’s, auto’s met camera’s die de zijkanten van gebouwen fotograferen, boomwortels die onder de grond geprojecteerd worden, zo onderhand lukt het Rotterdam om de hele stad in een 3D-weergave te reproduceren. En dat is fantastisch. Zeker als je bedenkt hoe bij zoiets als de BRO 3D een grote rol moet gaan spelen. De enige vraag die ik mij hierbij stel is in hoeverre Rotterdam nu zelf, vanuit haar eigen praktijk, een de facto standaard aan het verzinnen is. Want dat is in feite wat er gebeurt. Je ziet dat ze heel specifiek velden invullen met informatie die voor hen belangrijk is. Maar voor andere gemeenten kunnen de behoeften heel anders zijn.”

Laat de praktijk haar werk doen

Van Milgen begrijpt dat een deel van de aanpak rond de Omgevingswet berust op het principe van ‘learning by doing’. Laat de praktijk haar werk doen, en de voorbeelden die succesvol zijn, komen dan vanzelf bovendrijven om de transitie verder vorm te geven. Het Groningse Knooppunt Gegevens is misschien wel zo een voorbeeld. Het 3D-model van Rotterdam misschien ook. Bij de BGT ging het ook zo, herinnert Van Milgen zich. En hoewel hij niet wil klagen over wat er bereikt is, wijst hij ook in dat verband op de volgens hem grote invloed die door software-ontwikkelaars wordt uitgeoefend. Hij is bereid zijn standpunt toe te lichten: “Als grote adviespartijen en één van de grote vier gemeenten om de tafel gaan zitten om hun BGT-aanpak te bespreken, dan is volgens mij de driehoek niet compleet. Dat wat zij bedenken is al gauw − bedoeld of onbedoeld − bepalend voor andere, kleinere partijen die dezelfde software (moeten) gaan gebruiken. Maar wie zorgt ervoor dat de formats die de betreffende adviseur en gemeenten ontwikkelen ook bruikbaar zijn voor andere partijen? Zou een partij als Geonovum niet standaard óók een plek aan diezelfde tafel horen te hebben?”

Standaarden voor iedereen

Egbert van Milgen beseft dat zijn woorden de indruk kunnen wekken dat hij de grote partijen hun succes niet gunt. “Maar dat is absoluut niet het belang van waaruit ik redeneer”, verzekert hij. “Net als gemeenten, burgers en alle andere milieu-expertisebureaus zijn wij gebaat bij een zo bruikbaar mogelijke vertaling van de nieuwe registraties en geo-standaarden. Het enige waarover ik een signaal wil afgeven, is dat wij − vanuit ons perspectief − ons soms een buitenstaander voelen die in de nabije toekomst wél met al die nieuwe zaken moet werken. Daarom vinden wij dat een partij als Geonovum best nog wat strakker de regie mag voeren op ontwikkelingen. Gewoon om ervoor te zorgen dat de nieuwe standaarden en tools ook echt voor iedereen zullen zijn.”

Dit artikel is verschenen in GIS-Magazine in februari 2018